Het model van Ofman

We hebben allemaal talenten. Eigenschappen die zo vanzelfsprekend aanvoelen dat we nauwelijks beseffen hoe bijzonder ze zijn. Maar wat gebeurt er wanneer we te veel op die talenten vertrouwen? Wanneer onze grootste sterkte plots een zwakte wordt? Het kernkwadrant van Daniel Ofman biedt een verrassend eenvoudige manier om onszelf beter te begrijpen, onze valkuilen te herkennen en sterker samen te werken met anderen.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Wanneer goed genoeg niet goed genoeg voelt

Een nieuw jaar brengt vaak nieuwe voornemens met zich mee. We willen gezonder leven, meer bewegen, nieuwe dingen leren of bepaalde gewoontes veranderen. Maar minstens even herkenbaar is wat er enkele weken later gebeurt. De eerste tegenslag dient zich aan, onze motivatie neemt af en voor we het weten, vallen we terug in oude patronen.

Voor Caroline Massa bracht die vaststelling een belangrijk inzicht met zich mee. Niet zozeer over goede voornemens, maar over perfectionisme. Over hoe de drang om iets goed te doen er soms voor zorgt dat we er helemaal niet aan beginnen.

Wanneer je vooraf al vreest dat het resultaat niet aan je verwachtingen zal voldoen, wordt die eerste stap bijzonder moeilijk. En wanneer iets vervolgens niet meteen lukt, lijkt stoppen soms gemakkelijker dan opnieuw proberen.

Daarom besloot Caroline het anders aan te pakken. Niet langer streven naar perfectie, maar proberen om dingen zo goed mogelijk te doen. En vooral: milder zijn voor zichzelf wanneer iets niet loopt zoals verwacht.

Het is een herkenbare worsteling. Want eigenschappen die ons vooruithelpen, kunnen ons evengoed tegenhouden. De ambitie om kwaliteit te leveren is waardevol, maar kan doorslaan in perfectionisme. Doorzettingsvermogen helpt ons om moeilijke situaties te overwinnen, maar kan ook betekenen dat we blijven doorgaan wanneer het beter zou zijn om even afstand te nemen.

En precies daarover gaat het kernkwadrant van Daniel Ofman.

1. Onze talenten zijn vaak zo vanzelfsprekend dat we ze niet herkennen

Vraag iemand waar hij minder goed in is en de kans is groot dat het antwoord niet lang op zich laat wachten. Vraag diezelfde persoon naar zijn grootste talenten en plots wordt het een stuk moeilijker.

We zijn doorgaans behoorlijk goed in het benoemen van onze tekortkomingen. Onze sterke kanten erkennen, voelt veel minder vanzelfsprekend. Zeker in een cultuur waarin bescheidenheid als een deugd wordt beschouwd en openlijk vertellen waar je goed in bent al snel als opschepperij kan worden ervaren.

Nochtans is het herkennen van onze talenten een belangrijke voorwaarde om ze bewust te kunnen inzetten.

Daarbij is het nuttig om een onderscheid te maken tussen vaardigheden en kernkwaliteiten. Een vaardigheid is iets wat we hebben aangeleerd of ontwikkeld. Denk aan presenteren, programmeren, pianospelen of het begeleiden van een vergadering. Een kernkwaliteit zit dieper. Het is een eigenschap die van nature bij ons past en die zichtbaar wordt in verschillende situaties.

Wie bijvoorbeeld uitstekend piano speelt, beschikt niet alleen over een aangeleerde vaardigheid. Achter dat pianospel kunnen kwaliteiten schuilgaan zoals doorzettingsvermogen, creativiteit, gevoel voor schoonheid of een sterk muzikaal inzicht.

Die kwaliteiten beperken zich niet noodzakelijk tot muziek. Ze kunnen ook op andere terreinen tot uiting komen.

Caroline herkent bij zichzelf bijvoorbeeld enthousiasme en durf. Ze krijgt energie van nieuwe ideeën, stapt graag in onbekende situaties en hoeft niet altijd vooraf te weten waar ze precies zal uitkomen. Voor haar voelen die eigenschappen vanzelfsprekend aan. Lange tijd ging ze er dan ook van uit dat andere mensen op dezelfde manier naar de wereld keken.

Maar dat blijkt niet zo te zijn.

Wat voor de ene persoon natuurlijk en moeiteloos gaat, kan voor iemand anders veel inspanning vragen. Precies dat maakt onze kernkwaliteiten zo waardevol.

Een andere belangrijke aanwijzing is de energie die een kwaliteit ons geeft. Wanneer we onze natuurlijke sterktes kunnen gebruiken, voelen we ons doorgaans meer betrokken en gemotiveerd. Wanneer we langdurig in situaties terechtkomen waarin die kwaliteiten nauwelijks ruimte krijgen, kan dat juist energie kosten.

Voor leidinggevenden is dat een belangrijk inzicht. Mensen komen niet alleen naar hun werk met een verzameling vaardigheden en ervaringen. Ze brengen ook unieke kwaliteiten mee die bepalen hoe ze denken, samenwerken en problemen aanpakken.

De vraag is dus niet alleen wat iemand kan, maar ook welke natuurlijke sterktes achter dat gedrag schuilgaan.

2. Elke kwaliteit heeft een schaduwkant

Het kernkwadrant van Daniel Ofman vertrekt vanuit een eenvoudige maar krachtige gedachte: iedere kernkwaliteit heeft een bijbehorende valkuil.

Dat klinkt misschien tegenstrijdig. We beschouwen onze talenten immers als iets positiefs. Waarom zouden ze dan problemen veroorzaken?

Omdat een kwaliteit die we te sterk inzetten, kan doorslaan.

Wie van nature zorgvuldig is, kan overdreven perfectionistisch worden. Wie sterk betrokken is, kan zich overal mee willen bemoeien. Wie graag initiatief neemt, kan ongeduldig worden wanneer anderen meer tijd nodig hebben. En wie bijzonder behulpzaam is, kan moeite krijgen met grenzen stellen.

De valkuil is dus niet zomaar een zwakte die losstaat van onze kwaliteiten. Vaak is het net onze sterkte waarvan we te veel gebruiken.

Dat maakt het model bijzonder interessant. In plaats van ons gedrag op te delen in goede en slechte eigenschappen, nodigt het ons uit om de samenhang ertussen te onderzoeken.

In het podcastgesprek neemt Maarten zijn eigen behoefte aan structuur als voorbeeld.

Structuur is voor hem een natuurlijke kwaliteit. Wanneer hij een project voorbereidt, denkt hij automatisch in fases, stappen en duidelijke afspraken. Ook bij het ontwikkelen van trainingen zoekt hij naar een logische opbouw. Wat willen we bereiken? Welke onderwerpen moeten aan bod komen? En in welke volgorde kunnen we die het best behandelen?

Die behoefte aan overzicht beperkt zich niet tot zijn professionele leven.

Maarten werkt graag met takenlijsten en digitale planningstools. Hij houdt informatie bij in Excel en organiseert zelfs zijn maaltijden voor de komende weken volgens een duidelijk schema. Inclusief de tussendoortjes.

Voor hem is dat geen last. Integendeel. Structuur geeft rust en helpt hem om efficiënt te werken. Het is zo vanzelfsprekend dat hij er nauwelijks bij hoeft na te denken.

Maar net daar schuilt ook een risico.

Want wanneer structuur te belangrijk wordt, ontstaat de neiging om alles onder controle te willen houden. Plannen worden dan niet langer een hulpmiddel, maar iets waaraan koste wat het kost moet worden vastgehouden.

Maarten herkent dat uit zijn vroegere carrière. Toen hij als jonge ingenieur projecten begeleidde bij Janssen Pharmaceutica, werkte hij bijzonder nauwgezet. Hij vroeg informatie op, legde vast wanneer hij antwoorden verwachtte en stuurde herinneringen wanneer deadlines niet werden gehaald.

Dat zorgde voor duidelijkheid en voortgang. Tegelijk beseft hij vandaag dat zijn aanpak soms behoorlijk strak was.

Wat hij toen als professioneel en efficiënt beschouwde, zou hij nu anders aanpakken. Niet omdat structuur plots minder belangrijk is geworden, maar omdat hij heeft geleerd dat niet iedere situatie dezelfde mate van controle vraagt.

Dat is de essentie van de valkuil: een kwaliteit die op zichzelf waardevol is, maar die door overmatig gebruik haar positieve effect verliest.

3. De uitdaging: niet minder jezelf worden, maar jezelf verbreden

Wanneer we onze valkuil herkennen, ontstaat vanzelf de vraag wat we ermee moeten doen.

Moeten we proberen om onze kernkwaliteit af te zwakken? Moet iemand die sterk gestructureerd is minder gestructureerd worden? Of moet een enthousiast persoon leren om zijn enthousiasme voortdurend te temperen?

Volgens het kernkwadrant is dat niet de bedoeling.

Het doel is niet om onze natuurlijke kwaliteiten te onderdrukken. Het gaat erom dat we ze leren aanvullen met gedrag dat ons helpt om meer evenwicht te vinden.

Dat aanvullende gedrag noemt Ofman onze uitdaging.

Voor iemand die sterk gestructureerd is en daardoor soms te controlerend wordt, ligt de uitdaging bijvoorbeeld in flexibiliteit. Leren omgaan met veranderingen, ruimte laten voor nieuwe ideeën en accepteren dat niet alles vooraf kan worden vastgelegd.

Flexibiliteit staat daarbij niet tegenover structuur als iets wat beter of slechter is. Beide eigenschappen kunnen waardevol zijn. Het gaat om de juiste balans tussen de twee.

Dat is een wezenlijk verschil met de manier waarop we vaak naar persoonlijke ontwikkeling kijken.

Wanneer iemand feedback krijgt dat hij te controlerend is, kan die boodschap al snel overkomen als kritiek op zijn persoonlijkheid. Alsof er iets fundamenteel verkeerd is met zijn manier van werken.

Het kernkwadrant maakt het mogelijk om die feedback anders te benaderen.

De behoefte aan structuur blijft een talent. Alleen vraagt de situatie soms om een aanvullende kwaliteit. Wie leert om op de juiste momenten los te laten, verliest zijn structuur niet. Hij wordt juist sterker in het inzetten ervan.

Maarten heeft die ontwikkeling zelf doorgemaakt. In zijn professionele loopbaan ontdekte hij dat beslissingen niet altijd gebaseerd kunnen zijn op volledige informatie. Dat een projectplan soms moet veranderen. En dat andere mensen ideeën kunnen aanbrengen die niet binnen de oorspronkelijke aanpak passen.

Zijn uitdaging bestond erin om daar steeds beter mee om te leren gaan.

Dat leerproces verliep niet vanzelf. Een uitdaging is nu eenmaal vaak iets wat minder natuurlijk aanvoelt dan onze kernkwaliteit. Het vraagt bewuste aandacht, oefening en de bereidheid om af en toe ongemak te ervaren.

Bovendien ontdekken we onze uitdagingen vaak pas nadat we verschillende keren tegen onze valkuil zijn aangelopen.

Feedback van collega’s, moeilijke samenwerkingen of situaties waarin onze gebruikelijke aanpak niet werkt, maken zichtbaar waar ontwikkeling mogelijk is.

In die zin zijn onze valkuilen niet alleen lastig. Ze bieden ook informatie over wat we nog kunnen leren.

Persoonlijke groei betekent dan niet dat we een ander mens moeten worden. Het betekent dat we ons gedragsrepertoire uitbreiden, zodat we bewuster kunnen kiezen hoe we met een situatie omgaan.

4. Waarom we ons zo sterk kunnen ergeren aan anderen

Het vierde onderdeel van het kernkwadrant is misschien wel het meest confronterende: onze allergie.

Een allergie is gedrag waar we bijzonder moeilijk mee kunnen omgaan. Het zijn eigenschappen die ons bij andere mensen irriteren, soms zelfs zonder dat we goed kunnen uitleggen waarom.

Ook die allergie staat niet los van onze eigen kwaliteiten.

Voor Maarten is het duidelijk. Structuur is zijn kernkwaliteit, te veel controle zijn valkuil en flexibiliteit zijn uitdaging. Maar wanneer flexibiliteit doorslaat in chaos, komt hij terecht bij zijn allergie.

Dat wordt bijvoorbeeld zichtbaar tijdens vergaderingen.

Wanneer een overleg geen duidelijke agenda heeft, onderwerpen voortdurend door elkaar lopen en niemand concrete afspraken maakt, voelt Maarten de behoefte om structuur aan te brengen. Hij probeert dan helder te krijgen wat het doel van de vergadering is en welke beslissingen er genomen moeten worden.

Wanneer die poging niet wordt opgepikt, merkt hij dat zijn betrokkenheid kan afnemen. Hij trekt zich terug en laat de vergadering verder verlopen.

Wat voor anderen misschien een open en spontane manier van samenwerken lijkt, ervaart hij op dat moment als chaotisch en weinig efficiënt.

Het interessante is dat iemand anders vanuit een heel andere kernkwaliteit naar dezelfde situatie kan kijken.

Wie van nature flexibel en spontaan is, ervaart een vergadering zonder strakke agenda misschien juist als een kans om vrijuit ideeën te verkennen. Voor die persoon kan de behoefte aan structuur van een collega dan weer beperkend aanvoelen.

En zo ontstaat een herkenbare dynamiek.

Wat de ene persoon als zijn grootste sterkte beschouwt, kan voor een ander precies het gedrag zijn waar hij moeite mee heeft.

Daarin schuilt een van de krachtigste inzichten van het kernkwadrant.

Achter gedrag waaraan we ons ergeren, kan een kwaliteit zitten die we zelf minder ontwikkeld hebben.

Dat betekent niet dat elk storend gedrag zomaar aanvaard moet worden. Chaos kan werkelijk een probleem zijn wanneer duidelijke afspraken noodzakelijk zijn. Net zoals overdreven controle samenwerking kan bemoeilijken.

Maar door te onderzoeken welke positieve kwaliteit achter het gedrag van iemand anders schuilgaat, ontstaat er ruimte voor een ander gesprek.

De collega die volgens ons te weinig structuur heeft, beschikt misschien over een uitzonderlijk vermogen om zich aan te passen aan onverwachte omstandigheden.

De persoon die volgens ons te kritisch is, heeft misschien een sterk oog voor kwaliteit.

En iemand die we als ongeduldig ervaren, kan bijzonder resultaatgericht zijn en snel mogelijkheden zien om vooruitgang te boeken.

Wanneer we die kwaliteiten beginnen te herkennen, verandert onze kijk op de ander.

We hoeven niet langer uitsluitend te focussen op wat ons stoort. We kunnen ook onderzoeken wat die persoon toevoegt en wat we eventueel van elkaar kunnen leren.

5. Van frustratie naar versterking: het kernkwadrant in leiderschap en samenwerking

De waarde van het kernkwadrant reikt veel verder dan persoonlijke zelfkennis.

Zeker in teams, waar mensen met uiteenlopende persoonlijkheden, ervaringen en werkstijlen samenkomen, kan het model helpen om hardnekkige spanningen beter te begrijpen.

Maarten en Caroline vormen daar zelf een mooi voorbeeld van.

Waar Maarten graag werkt vanuit structuur en planning, voelt Caroline zich comfortabeler bij flexibiliteit en ruimte voor het onverwachte. Ze durft sneller te vertrekken vanuit een idee en gaandeweg te ontdekken hoe iets vorm krijgt.

Die verschillen zijn duidelijk merkbaar in hun samenwerking.

Maarten brengt overzicht en helpt om ideeën te vertalen naar een concrete aanpak. Caroline brengt beweging, durft nieuwe mogelijkheden te verkennen en voorkomt dat alles te vroeg wordt vastgelegd.

Die complementariteit ontstaat echter niet automatisch.

Wanneer Maarten van Caroline zou verwachten dat zij even sterk gestructureerd werkt als hijzelf, zou dat onvermijdelijk spanning veroorzaken. Omgekeerd zou het voor hem bijzonder vermoeiend zijn wanneer hij voortdurend zonder plan of houvast zou moeten werken.

De sleutel zit in het erkennen van elkaars kwaliteiten en het bijstellen van verwachtingen.

Ze hoeven niet op dezelfde manier te functioneren om goed samen te werken. Integendeel, juist doordat ze verschillend zijn, kunnen ze elkaar aanvullen.

Dat vraagt wel een bewuste inspanning.

Het is gemakkelijk om ons eigen gedrag als vanzelfsprekend te beschouwen en vervolgens te verwachten dat anderen zich op dezelfde manier gedragen. Wie sterk georganiseerd is, begrijpt soms moeilijk waarom een collega geen behoefte heeft aan uitgebreide planning. Wie spontaan en flexibel is, kan zich dan weer afvragen waarom iemand zo sterk vasthoudt aan procedures.

We beoordelen de ander vanuit onze eigen referentiekaders.

Het kernkwadrant helpt om die automatische beoordeling te doorbreken.

Voor leidinggevenden is dat bijzonder waardevol. Wanneer een medewerker gedrag vertoont dat niet het gewenste resultaat oplevert, is de reflex vaak om vooral dat gedrag te corrigeren.

Iemand moet minder dominant worden, beter luisteren, sneller beslissen of meer initiatief nemen.

Maar zulke feedback raakt zelden de volledige werkelijkheid.

Een medewerker die te sterk de leiding neemt, beschikt misschien over veel daadkracht. Iemand die moeite heeft om beslissingen te nemen, heeft mogelijk een sterke behoefte aan zorgvuldigheid. En een collega die voortdurend nieuwe ideeën introduceert, brengt misschien waardevolle creativiteit mee, maar heeft ondersteuning nodig om focus te behouden.

Door het gedrag vanuit een kernkwaliteit te bekijken, wordt het mogelijk om een genuanceerder ontwikkelgesprek te voeren.

De vraag verandert dan van wat iemand verkeerd doet naar welke kwaliteit achter dat gedrag schuilgaat en hoe die beter kan worden ingezet.

Dat betekent niet dat moeilijke feedback vermeden wordt. Integendeel. Het maakt het mogelijk om gedrag helder te benoemen zonder de waarde van de persoon uit het oog te verliezen.

Het biedt ook een concreet vertrekpunt voor coaching. De leidinggevende kan samen met de medewerker onderzoeken wanneer een talent een valkuil wordt, welke uitdaging daarbij hoort en hoe die uitdaging in dagelijkse werksituaties geoefend kan worden.

Zo krijgt ontwikkeling een positieve richting.

In plaats van uitsluitend te werken aan tekortkomingen, bouwen we verder op wat al sterk aanwezig is.

En wanneer meerdere teamleden hun kernkwadranten leren kennen, ontstaat een gedeelde taal om onderlinge verschillen bespreekbaar te maken.

Dat kan helpen om conflicten te begrijpen voordat ze escaleren, rollen bewuster te verdelen en elkaars kwaliteiten effectiever te benutten.

Want een sterk team bestaat niet noodzakelijk uit mensen die op elkaar lijken. Vaak ontstaat de grootste meerwaarde juist wanneer uiteenlopende kwaliteiten elkaar versterken.

6. Zelfkennis begint soms bij wat ons het meest irriteert

Een bijkomend voordeel van het kernkwadrant is dat we niet noodzakelijk moeten vertrekken vanuit een talent.

Soms weten we helemaal niet goed wat onze kernkwaliteiten zijn. Maar we weten wel heel precies aan welk gedrag we ons ergeren.

Ook dan kan het model helpen.

Caroline vertelt in de podcast dat ze het kernkwadrant regelmatig gebruikt wanneer ze met zichzelf in de knoop zit. Bijvoorbeeld na feedback die moeilijk binnenkomt of wanneer ze merkt dat iemand haar uitzonderlijk sterk irriteert.

In plaats van die frustratie uitsluitend bij de ander te leggen, probeert ze te onderzoeken wat er precies gebeurt.

Waarom raakt dat gedrag haar zo sterk? Welke eigenschap ervaart ze als problematisch? En zou het kunnen dat achter die eigenschap een kwaliteit schuilgaat die voor haarzelf een uitdaging vormt?

Dat is geen eenvoudige oefening.

We zoeken de oorzaak van spanningen immers gemakkelijk buiten onszelf. De ander is te traag, te direct, te dominant, te onzeker of te weinig flexibel.

Het vraagt enige moed om ook naar ons eigen aandeel te kijken.

Toch kan precies die reflectie veel opleveren. Niet alleen omdat we de ander beter beginnen te begrijpen, maar ook omdat we iets ontdekken over onze eigen automatische reacties.

Hetzelfde geldt voor mensen die we bewonderen.

Wanneer iemand ons bijzonder inspireert, kan het interessant zijn om te onderzoeken welke kwaliteiten we in die persoon herkennen. Misschien gaat het om eigenschappen die we zelf graag sterker zouden ontwikkelen.

Ook bewondering kan daardoor een ingang worden tot persoonlijke groei.

Het kernkwadrant is in die zin geen instrument om mensen in vaste categorieën onder te brengen. Het is een hulpmiddel om gedrag te onderzoeken, verbanden zichtbaar te maken en nieuwe mogelijkheden te ontdekken.

Bovendien hebben we niet één kernkwaliteit, maar meerdere. Iemand kan tegelijkertijd zorgvuldig, enthousiast, empathisch en besluitvaardig zijn. Elk van die kwaliteiten kan zijn eigen valkuil, uitdaging en allergie met zich meebrengen.

Daardoor is het model geen definitieve beschrijving van wie we zijn.

Het is vooral een manier om nieuwsgierig te blijven naar onszelf.

Slot: de kracht van onze kwaliteiten zit in hoe we ermee omgaan

Het kernkwadrant van Daniel Ofman maakt iets zichtbaar wat we in het dagelijkse leven gemakkelijk vergeten: onze grootste sterktes en onze moeilijkste kanten zijn vaak nauw met elkaar verbonden.

De behoefte aan structuur kan zekerheid bieden, maar ook verstikkend worden. Enthousiasme kan anderen inspireren, maar soms te veel ruimte innemen. Zorgvuldigheid kan kwaliteit garanderen, maar ook omslaan in perfectionisme.

De oplossing is niet om die kwaliteiten af te leren.

Het gaat erom te herkennen wanneer ze ons helpen en wanneer ze ons beginnen te beperken. Om te ontdekken welk aanvullend gedrag we kunnen ontwikkelen en om te begrijpen waarom bepaalde eigenschappen bij anderen zo sterk onze aandacht trekken.

Dat vraagt zelfkennis, maar vooral ook mildheid. De bereidheid om onze eigen valkuilen onder ogen te zien zonder onszelf er voortdurend op af te rekenen.

En misschien brengt dat ons terug bij het voornemen waarmee het podcastgesprek begon.

Niet alles hoeft van de eerste keer perfect te zijn. We mogen leren, bijsturen en opnieuw beginnen. Ook wanneer we voor de zoveelste keer in dezelfde valkuil terechtkomen.

Voor leidinggevenden en teams ligt daarin een belangrijke kans. Wanneer we leren kijken naar de talenten achter het gedrag, ontstaat er een andere manier van samenwerken. Een manier waarin verschillen niet onmiddellijk als problemen worden beschouwd, maar waarin we proberen te begrijpen welke waarde erachter schuilgaat.

Want we hoeven niet allemaal dezelfde kwaliteiten te hebben.

We moeten vooral leren hoe we onze eigen kwaliteiten én die van anderen zo goed mogelijk tot hun recht laten komen.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Nemawashi

Hoe vaak gebeurt het niet? Je hebt een sterk idee, een goed onderbouwd voorstel en een presentatie waar je uren aan gewerkt hebt. Je stapt vol vertrouwen de vergaderzaal binnen, klaar om iedereen te overtuigen. Maar na enkele minuten voel je het enthousiasme wegebben. De vragen worden kritischer, de weerstand groeit en je zorgvuldig voorbereide voorstel krijgt niet het onthaal waarop je gehoopt had. Herkenbaar? Dan kan het Japanse principe nemawashi je misschien heel wat frustratie besparen.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

De vergadering waarin alles beslist moest worden

Er zijn van die vergaderingen die je niet snel vergeet. Niet omdat ze zo succesvol waren, maar omdat ze helemaal anders liepen dan verwacht.

Je hebt weken aan een project gewerkt. De cijfers verzameld, mogelijke oplossingen onderzocht en verschillende scenario’s tegen elkaar afgewogen. Een overtuigend verhaal opgebouwd, inclusief een mooie presentatie en een duidelijk businessplan. Alles klopt. Tenminste, vanuit jouw perspectief.

Dan komt het grote moment. De vergadering waarin je iedereen wilt overtuigen van jouw voorstel.

Maar terwijl je enthousiast vertelt, merk je dat er iets niet goed zit. De blikken worden bedenkelijk. Iemand fronst de wenkbrauwen. Een ander stelt een vraag waarvan je dacht dat het antwoord ondertussen toch wel duidelijk moest zijn. Nog iemand begint over een probleem waar je eigenlijk nog niet bij had stilgestaan.

Voor je het weet, ben je meer bezig met het verdedigen van je voorstel dan met het bespreken ervan.

En zelfs wanneer iedereen uiteindelijk akkoord lijkt te gaan, betekent dat nog niet dat er daarna veel gebeurt. Het besluit is misschien genomen, maar de betrokkenheid ontbreekt. De uitvoering komt moeizaam op gang en de weerstand die tijdens de vergadering nauwelijks zichtbaar was, duikt achteraf alsnog op.

In onze podcast over Lean Leadership herkennen we die situatie maar al te goed. Zowel Maarten als Caroline hebben ervaren hoe een voorstel waarop je trots bent, toch kan stranden op een gebrek aan draagvlak.

Niet noodzakelijk omdat het een slecht voorstel is. Soms is het probleem veel eenvoudiger: we hebben te veel aandacht besteed aan de inhoud van de beslissing en te weinig aan het proces dat eraan voorafgaat.

Precies daar komt een bijzonder interessant Japans concept om de hoek kijken: nemawashi.

1. Nemawashi: eerst de wortels voorbereiden

Nemawashi is een Japanse term die letterlijk verwijst naar het voorbereiden van de wortels van een boom voordat die wordt verplant.

Wie ooit een grote boom heeft proberen te verplaatsen, begrijpt waarom dat belangrijk is. Je kunt een boom niet zomaar uit de grond trekken en ergens anders neerzetten. De wortels zitten diep verankerd, de aarde houdt alles stevig op zijn plaats en de boom is volledig aangepast aan zijn omgeving.

Wil je de boom succesvol verplanten, dan moet je zorgvuldig te werk gaan. Je maakt de wortels los, bereidt de aarde voor en zorgt ervoor dat de boom de verplaatsing zo goed mogelijk kan doorstaan.

Dat voorbereidende werk is essentieel. Zonder die zorgvuldigheid riskeer je dat de boom beschadigd raakt of het op zijn nieuwe plek niet overleeft.

Het is een bijzonder mooie metafoor voor hoe we in organisaties met belangrijke beslissingen en veranderingen omgaan.

Want ook een beslissing kun je niet zomaar ergens neerplanten.

Een nieuw softwaresysteem, een reorganisatie, een andere manier van samenwerken of een verandering in verantwoordelijkheden heeft altijd gevolgen voor mensen. Mensen die gewoontes hebben ontwikkeld, die bepaalde verwachtingen koesteren en die vanuit hun eigen ervaringen naar de situatie kijken.

Wanneer je een beslissing neemt zonder voldoende rekening te houden met die context, probeer je eigenlijk een boom te verplanten zonder eerst de wortels voor te bereiden.

Nemawashi biedt een andere aanpak.

Het is het informele, maar doelgerichte proces waarmee je een belangrijk voorstel voorbereidt voordat de formele besluitvorming plaatsvindt.

Dat betekent dat je vooraf met de juiste mensen in gesprek gaat. Je onderzoekt hun belangen, luistert naar bezorgdheden, verzamelt inzichten en past je voorstel waar nodig aan.

Je wacht dus niet tot de grote vergadering om iedereen voor het eerst met je plannen te confronteren.

De formele vergadering wordt daardoor niet langer het moment waarop je iedereen nog moet overtuigen. Ze wordt het moment waarop een zorgvuldig voorbereid voorstel samenkomt en een beslissing kan worden genomen.

Dat klinkt misschien vanzelfsprekend. Toch doen we het in de praktijk opvallend weinig.

We bereiden de inhoud van onze voorstellen vaak bijzonder grondig voor, maar vergeten dat ook mensen voorbereiding nodig hebben.

2. Een goed businessplan is nog geen goed veranderplan

In veel organisaties bestaat er een bijna vanzelfsprekende reflex wanneer een belangrijke verandering op tafel ligt.

We beginnen met het verzamelen van gegevens. We onderzoeken de huidige situatie, berekenen de kosten, schatten de opbrengsten in en werken een oplossing uit.

Daarna bouwen we een businesscase op.

Die moet aantonen waarom de verandering noodzakelijk is, welke voordelen ze oplevert en hoe de investering kan worden verantwoord.

Op zich is daar niets mis mee. Integendeel, een degelijk onderbouwd voorstel is belangrijk.

Maar er ontbreekt vaak iets fundamenteels.

We hebben wel een businessplan, maar geen veranderplan.

Iedereen weet wat de nieuwe software zal kosten, maar hebben onvoldoende nagedacht over de mensen die ermee moeten werken. We hebben een efficiënter proces uitgetekend, maar begrijpen nog niet helemaal welke gevolgen dat heeft voor de medewerkers op de werkvloer. We weten welke resultaten we willen bereiken, maar hebben nog geen goed beeld van wat mensen nodig hebben om die verandering daadwerkelijk mogelijk te maken.

En precies daar begint het te wringen.

Want een verandering is nooit uitsluitend technisch of organisatorisch. Ze heeft ook een menselijke kant.

Wanneer medewerkers pas op het einde van het traject worden betrokken, voelen ze zich zelden eigenaar van de oplossing. Ze krijgen het gevoel dat alles al beslist is en dat hun rol zich beperkt tot het uitvoeren van een plan dat anderen hebben bedacht.

Soms reageren ze daar openlijk op. Ze stellen kritische vragen, uiten hun bezorgdheden of spreken hun ongenoegen uit.

Maar weerstand is niet altijd zichtbaar.

Mensen kunnen tijdens een vergadering instemmend knikken en nadien gewoon verder werken zoals ze dat altijd hebben gedaan. Niet noodzakelijk uit onwil, maar omdat ze onvoldoende begrijpen waarom de verandering nodig is, omdat hun bezorgdheden niet zijn meegenomen of omdat ze zich niet betrokken voelen bij de beslissing.

Dan ontstaat een situatie die veel leidinggevenden herkennen: op papier is de verandering goedgekeurd, maar in de praktijk komt ze nauwelijks van de grond.

We zeggen vervolgens dat medewerkers onvoldoende betrokken zijn, terwijl we misschien zelf een proces hebben georganiseerd waarin ze nauwelijks de kans kregen om betrokken te raken.

Nemawashi draait die redenering om.

De vraag is niet alleen hoe je een beslissing inhoudelijk zo goed mogelijk voorbereidt, maar ook hoe je mensen op het juiste moment en op de juiste manier betrekt.

Daarbij gaat het niet om iedereen tevreden stellen. Het gaat om begrijpen wat er leeft, welke expertise aanwezig is en welke bezorgdheden aandacht verdienen.

Die gesprekken maken niet alleen het draagvlak groter. Ze maken vaak ook het voorstel zelf beter.

Want de mensen die dagelijks met een proces werken, zien soms problemen of mogelijkheden die vanachter een bureau nauwelijks zichtbaar zijn.

Dat vraagt natuurlijk iets van een leidinggevende. Je moet bereid zijn om je eigen oplossing ter discussie te stellen.

En dat blijkt niet altijd eenvoudig.

3. Betrek mensen wanneer er nog iets te beïnvloeden valt

Een van de belangrijkste inzichten uit nemawashi is dat de timing van betrokkenheid een groot verschil maakt.

Mensen uitnodigen om mee te denken heeft weinig betekenis wanneer alle belangrijke keuzes al gemaakt zijn.

Stel dat je als leidinggevende een nieuw werkproces wilt invoeren. Je hebt de situatie geanalyseerd, met enkele specialisten overlegd en uiteindelijk een gedetailleerde oplossing uitgewerkt.

Alles staat op papier. De verantwoordelijkheden zijn verdeeld, de planning is klaar en de nieuwe werkinstructies zijn al opgesteld.

Pas dan nodig je de betrokken medewerkers uit om hun mening te geven.

Wat verwacht je eigenlijk van hen?

Natuurlijk kunnen ze nog opmerkingen maken. Maar zodra een voorstel volledig is uitgewerkt, ontstaat bijna automatisch de indruk dat er weinig meer te veranderen valt.

En eerlijk gezegd is die indruk vaak terecht.

Hoe meer tijd en energie iemand in een oplossing heeft geïnvesteerd, hoe moeilijker het wordt om die oplossing opnieuw ter discussie te stellen.

Dat geldt ook voor onszelf.

We raken gehecht aan onze ideeën. We hebben argumenten verzameld, scenario’s onderzocht en keuzes gemaakt. Het voorstel is stilaan iets van ons geworden.

Wanneer iemand dan een fundamenteel bezwaar formuleert, voelt dat al snel als kritiek op ons werk.

Nemawashi vraagt om een andere houding.

In plaats van eerst een volledig uitgewerkte oplossing te presenteren, begin je met een voorlopig voorstel. Een schets van het probleem, enkele mogelijke richtingen en een aantal vragen waarop nog geen definitief antwoord bestaat.

Zo’n voorstel mag nog onvolmaakt zijn.

Sterker nog, dat is net de bedoeling.

Een schets nodigt uit om mee te denken. Een afgewerkte presentatie nodigt eerder uit om te beoordelen.

Dat verschil is subtiel, maar belangrijk.

Wanneer mensen ervaren dat hun inbreng werkelijk invloed kan hebben op het uiteindelijke resultaat, verandert de dynamiek van het gesprek.

Ze worden niet langer gevraagd om een beslissing goed te keuren die iemand anders heeft genomen. Ze krijgen de mogelijkheid om hun kennis en ervaring te gebruiken om de oplossing mee vorm te geven.

Uiteraard betekent dat niet dat alles bespreekbaar moet zijn.

Soms ligt het budget vast. Soms zijn er wettelijke verplichtingen of technische randvoorwaarden waaraan niet kan worden geraakt. In andere gevallen heeft het management al een strategische richting bepaald.

Daar moet je duidelijk over zijn.

Een van de grootste fouten die je kunt maken, is mensen de indruk geven dat ze nog invloed hebben op zaken die in werkelijkheid al beslist zijn.

Daarmee creëer je verwachtingen die je niet kunt waarmaken.

En weinig dingen zijn schadelijker voor vertrouwen dan schijninspraak.

Daarom begint een goed nemawashi-proces met een heldere afbakening van de beslissingsruimte.

Wat ligt vast? Wat kan nog veranderen? Waarover willen we advies? En wie heeft uiteindelijk de bevoegdheid om de beslissing te nemen?

Die duidelijkheid maakt gesprekken niet minder waardevol. Ze maakt ze juist eerlijker.

Want binnen heldere grenzen ontstaat vaak meer ruimte voor een open en constructieve dialoog.

4. Van een eerste idee naar een gedragen beslissing

Nemawashi klinkt misschien als een typisch Japanse manier van werken, maar de onderliggende aanpak is verrassend praktisch.

Je hoeft er geen ingewikkelde methodologie voor te ontwikkelen. Wel vraagt het een bewuste en gestructureerde voorbereiding.

Alles begint bij het scherp krijgen van de werkelijke beslissingsvraag.

Dat lijkt logisch, maar in de praktijk springen we vaak te snel naar oplossingen.

Iemand stelt bijvoorbeeld voor om een nieuw softwaresysteem aan te schaffen. Voor je het weet, gaat het gesprek over leveranciers, functionaliteiten en implementatiekosten.

Maar welk probleem proberen we eigenlijk op te lossen?

Gaat het over een gebrek aan overzicht? Over fouten in de administratie? Over samenwerking tussen afdelingen? Of over een proces dat doorheen de jaren onnodig complex is geworden?

Als je niet eerst de juiste vraag stelt, bestaat het risico dat je heel veel energie investeert in een oplossing voor het verkeerde probleem.

Daarom moet duidelijk zijn wat er precies beslist moet worden, waarom dat noodzakelijk is, wie de beslissing mag nemen en wanneer er duidelijkheid moet zijn.

Vervolgens onderzoek je de ruimte waarbinnen die beslissing kan worden genomen.

Welke randvoorwaarden liggen vast? Waar is nog keuzevrijheid? Welke elementen kunnen worden aangepast op basis van de inzichten die tijdens de voorbereiding naar boven komen?

Pas wanneer dat helder is, heeft het zin om na te denken over wie je moet betrekken.

En dat zijn vaak meer mensen dan je aanvankelijk denkt.

In een organisatie raakt een verandering zelden slechts één afdeling. Wat voor de ene medewerker een kleine aanpassing lijkt, kan voor iemand anders grote gevolgen hebben.

Een wijziging in de planning beïnvloedt misschien de productie, maar ook de logistiek, de administratie en de klantendienst.

Daarom is het waardevol om een overzicht te maken van alle betrokkenen.

Wie wordt rechtstreeks geraakt door de verandering? En beschikt over belangrijke kennis? Wie draagt verantwoordelijkheid voor de uitvoering? Wie kan advies geven? En wie moet uiteindelijk de beslissing nemen?

Niet iedereen hoeft op dezelfde manier betrokken te worden.

Sommige mensen moeten vooral tijdig geïnformeerd worden. Anderen kunnen waardevolle inzichten aanleveren. Nog anderen moeten actief meedenken over de oplossing of beschikken over een formele beslissingsbevoegdheid.

Het gaat erom bewust keuzes te maken.

Wanneer je dat overzicht hebt, kun je met een eerste, nog relatief open voorstel naar de betrokkenen stappen.

En dan begint misschien wel het belangrijkste onderdeel van nemawashi: de gesprekken.

Geen grote vergaderingen waarin iedereen tegelijkertijd zijn mening moet formuleren, maar kleinere gesprekken waarin mensen ruimte krijgen om hun perspectief te delen.

Je legt uit wat je wilt bereiken, stelt vragen en luistert naar de antwoorden.

Wat zien zij als de belangrijkste uitdaging? Welke risico’s herkennen ze? Wat zou volgens hen beter kunnen? Welke gevolgen heeft het voorstel voor hun dagelijkse werk?

Die gesprekken leveren informatie op die je zelden uit een spreadsheet haalt.

Misschien ontdek je dat een bepaalde werkwijze in de praktijk heel anders functioneert dan op papier. Misschien blijkt een medewerker al langer een oplossing te hebben voor een probleem waar anderen nog maar pas over nadenken.

Of misschien krijg je te horen dat jouw voorstel op een bepaald punt gewoon niet werkbaar is.

Dat laatste kan confronterend zijn.

Maar net daar toont nemawashi zijn waarde.

Want het doel is niet om tijdens die gesprekken zoveel mogelijk bevestiging te verzamelen voor je eigen ideeën.

Het doel is om je voorstel beter te maken, ook wanneer dat betekent dat je een deel van je oorspronkelijke oplossing moet loslaten.

Dat vraagt openheid, nieuwsgierigheid en de bereidheid om werkelijk te luisteren.

De inzichten uit de gesprekken worden vervolgens verzameld en verwerkt. Je verfijnt het voorstel, onderzoekt alternatieven en toetst waar nodig of de gekozen oplossing in de praktijk haalbaar is.

Ondertussen groeit ook het inzicht in het krachtenveld rond de beslissing.

Wie kan zich vinden in de voorgestelde richting? Waar blijven bezorgdheden bestaan? Welke bezwaren zijn inhoudelijk belangrijk? En waar zitten mogelijke conflicten die nog besproken moeten worden?

Zo ontstaat geleidelijk een voorstel dat niet alleen beter onderbouwd is, maar ook beter aansluit bij de realiteit van de organisatie.

Wanneer uiteindelijk de formele vergadering plaatsvindt, is het voorstel voor de belangrijkste betrokkenen geen verrassing meer.

Ze kennen de achtergrond, begrijpen de gemaakte afwegingen en hebben de kans gehad om hun perspectief in te brengen.

Dat betekent niet dat iedereen enthousiast zal zijn.

Maar de kans dat mensen de beslissing begrijpen en bereid zijn om ze mee uit te voeren, wordt aanzienlijk groter.

En daar draait het uiteindelijk om.

5. Luisteren naar weerstand zonder in eindeloos overleg te belanden

Er schuilt wel een belangrijke uitdaging in nemawashi.

Als je mensen actief gaat betrekken, krijg je onvermijdelijk verschillende meningen.

Sommigen zullen onmiddellijk enthousiast zijn. Anderen hebben praktische vragen. Nog anderen zijn kritisch of verzetten zich misschien zelfs tegen de voorgestelde verandering.

De verleiding is groot om vooral in gesprek te gaan met mensen die jouw ideeën ondersteunen.

Dat zijn immers vaak de aangenaamste gesprekken.

Je krijgt bevestiging, voelt dat je op de goede weg bent en verzamelt medestanders die het voorstel later kunnen ondersteunen.

Maar wanneer je uitsluitend met gelijkgestemden praat, creëer je een echokamer.

Je hoort vooral wat je al wist en mist net de informatie die je voorstel beter zou kunnen maken.

Daarom is het minstens even belangrijk om bewust de kritische stemmen op te zoeken.

Niet om hen koste wat het kost te overtuigen, maar om te begrijpen waar hun weerstand vandaan komt.

Soms schuilt achter een bezwaar waardevolle expertise. Iemand ziet een risico dat je over het hoofd hebt gezien. Een medewerker heeft ervaring met een eerdere verandering die niet goed is afgelopen. Of iemand vreest dat de voorgestelde oplossing extra werk zal veroorzaken zonder dat daar voldoende rekening mee is gehouden.

Door daar echt naar te luisteren, leer je meer over de werkelijkheid waarin jouw beslissing straks moet functioneren.

Natuurlijk vraagt dat ook dat je je eigen ego even opzijzet.

Wanneer je overtuigd bent van een idee, is het niet altijd prettig om te horen waarom het volgens iemand anders niet zal werken.

Je eerste reflex kan zijn om argumenten te zoeken waarmee je de kritiek kunt weerleggen.

Maar tijdens nemawashi is luisteren vaak waardevoller dan overtuigen.

Dat betekent niet dat je elk bezwaar moet overnemen of dat iedereen uiteindelijk volledig akkoord moet gaan.

Nemawashi is geen zoektocht naar een compromis waarin iedereen een klein stukje van zijn oorspronkelijke wensen terugvindt.

Het doel blijft om tot een goede beslissing te komen.

Daarbij is het belangrijk om het verschil te begrijpen tussen consensus en consent.

Bij consensus zoeken mensen naar een oplossing waarmee iedereen het eens kan zijn. Bij consent hoeft niet iedereen dezelfde voorkeur te hebben, maar zijn er geen zwaarwegende bezwaren meer die verhinderen dat de groep verantwoord verdergaat.

Iemand kan dus zeggen dat een andere oplossing zijn persoonlijke voorkeur had, maar dat hij zich wel kan vinden in het uiteindelijke besluit.

Dat is een belangrijk verschil.

In organisaties zullen mensen nu eenmaal niet altijd dezelfde belangen, ervaringen of overtuigingen hebben.

Het is niet realistisch om te verwachten dat iedereen over elke belangrijke beslissing volledig enthousiast is.

Wat wel mogelijk is, is een proces organiseren waarin mensen zich gehoord voelen, waarin bezwaren ernstig worden onderzocht en waarin duidelijk wordt waarom uiteindelijk voor een bepaalde richting wordt gekozen.

Tegelijk moeten we vermijden dat nemawashi een eindeloos proces wordt.

Er moet een moment komen waarop de gesprekken afgerond zijn en een beslissing wordt genomen.

Want ook uitstel heeft gevolgen.

Een organisatie die elke mogelijke mening blijft verzamelen en voortdurend nieuwe overlegmomenten organiseert, riskeert uiteindelijk besluiteloos te worden.

Daarom vraagt nemawashi niet alleen luisterbereidheid, maar ook leiderschap.

Je moet kunnen inschatten wanneer voldoende informatie beschikbaar is, wanneer de belangrijkste bezwaren zijn behandeld en wanneer het tijd is om een knoop door te hakken.

Soms betekent dat ook dat je een conflict niet langer uit de weg kunt gaan.

En daar is niets mis mee.

Een gedragen beslissing is niet noodzakelijk een conflictvrije beslissing. Het is een beslissing waarbij het proces zorgvuldig is verlopen en waarbij de gemaakte keuzes voldoende duidelijk en verdedigbaar zijn.

6. Informeel overleg vraagt transparantie en vertrouwen

Er is nog een andere valkuil die aandacht verdient.

Nemawashi speelt zich voor een belangrijk deel af buiten de formele vergaderstructuren.

Mensen spreken elkaar individueel of in kleine groepen. Ze wisselen ideeën uit, bespreken mogelijke oplossingen en verkennen elkaars standpunten.

Dat kan bijzonder waardevol zijn.

Maar als je niet zorgvuldig te werk gaat, kan het ook de indruk wekken dat beslissingen achter gesloten deuren worden voorbereid.

En dan wordt nemawashi plots iets heel anders.

In plaats van betrokkenheid te creëren, voedt het wantrouwen.

Medewerkers kunnen zich afvragen waarom bepaalde collega’s wel werden geraadpleegd en anderen niet. Waarom sommige mensen blijkbaar al weken op de hoogte waren, terwijl de rest pas tijdens de formele communicatie over het voorstel hoorde.

Daarom is transparantie zo belangrijk.

Het informele karakter van nemawashi betekent niet dat het proces onzichtbaar moet blijven.

Integendeel.

Het moet voldoende duidelijk zijn waarom bepaalde mensen worden betrokken, welke rol ze spelen en hoe hun input wordt meegenomen in de besluitvorming.

Dat betekent niet dat iedereen bij elk gesprek aanwezig moet zijn.

Het betekent wel dat de manier waarop de beslissing tot stand komt, begrijpelijk en uitlegbaar moet zijn.

Ook de terugkoppeling verdient aandacht.

Wanneer iemand tijd maakt om zijn kennis en bezorgdheden te delen, is het belangrijk dat die persoon nadien begrijpt wat met zijn inbreng is gebeurd.

Misschien heeft zijn advies geleid tot een aanpassing van het voorstel. Misschien werd het onderzocht, maar bleek het om goede redenen niet haalbaar.

In beide gevallen verdient die medewerker duidelijkheid.

Want luisteren zonder terug te koppelen kan uiteindelijk bijna even frustrerend zijn als helemaal niet luisteren.

Een zorgvuldig voorbereid besluit moet daarom ook formeel worden vastgelegd en helder worden gecommuniceerd.

Welke beslissing is genomen? Wat betekent dat concreet? Waarom is voor deze oplossing gekozen? En wat zijn de volgende stappen?

Zo wordt het proces afgerond en weten mensen waar ze aan toe zijn.

Ook hier ligt een belangrijke verantwoordelijkheid bij de leidinggevende.

Niet alleen om mensen te betrekken, maar ook om richting te geven, keuzes te verduidelijken en uiteindelijk verantwoordelijkheid te nemen voor het resultaat.

Niet elke beslissing vraagt dezelfde voorbereiding

Dat alles betekent natuurlijk niet dat we voor iedere kleine beslissing een uitgebreid nemawashi-proces moeten organiseren.

Soms moet er gewoon snel gehandeld worden.

Niet elke keuze heeft een grote impact op medewerkers, processen of de organisatie als geheel.

Het zou weinig zinvol zijn om voor de keuze van een nieuwe kleur koffiekopjes in de cafetaria een volledige stakeholdersanalyse op te stellen en wekenlang gesprekken te voeren.

De kunst bestaat erin om in te schatten welke beslissingen werkelijk om een zorgvuldige voorbereiding vragen.

Hoe groter de impact van een verandering, hoe meer mensen erbij betrokken zijn en hoe groter de kans op uiteenlopende belangen, hoe waardevoller nemawashi kan zijn.

Een verandering die meerdere afdelingen raakt, ingrijpt op bestaande gewoontes of grote gevolgen heeft voor de dagelijkse werking, verdient doorgaans meer aandacht dan een eenvoudige operationele keuze.

Dat vraagt een bewuste afweging.

Want de tijd die je investeert in voorbereiding, lijkt op het eerste gezicht misschien een vertraging.

Je zou ook gewoon een vergadering kunnen plannen, een besluit nemen en aan de uitvoering beginnen.

Maar wanneer achteraf weerstand ontstaat, het plan voortdurend moet worden aangepast of de implementatie vastloopt, verlies je vaak veel meer tijd dan je aanvankelijk dacht te besparen.

Nemawashi maakt het besluitvormingsproces aan de voorkant misschien iets langer, maar kan ervoor zorgen dat de uitvoering nadien veel vlotter verloopt.

En precies daarin schuilt de kracht van het principe.

Een goed besluit begint vóór de vergadering

We leven in organisaties waarin snelheid vaak belangrijk is.

Projecten moeten vooruitgaan, resultaten moeten worden gehaald en leidinggevenden worden voortdurend geconfronteerd met keuzes die niet kunnen blijven liggen.

Het is dan verleidelijk om zoveel mogelijk zelf uit te werken en pas naar anderen te stappen wanneer het voorstel klaar is.

Zeker in organisaties waar mensen sterk gespecialiseerd zijn, zien we dat regelmatig gebeuren.

Iedereen kent zijn eigen domein, zijn eigen processen en zijn eigen verantwoordelijkheden. Maar daardoor verliezen we soms uit het oog dat ons werk altijd deel uitmaakt van een groter geheel.

Wat binnen de ene afdeling een logische verbetering lijkt, kan ergens anders onverwachte problemen veroorzaken.

Die samenhang ontdek je niet door nog langer achter je computer te blijven zitten.

Daarvoor moet je naar buiten.

Je moet gesprekken voeren, nieuwsgierig zijn naar andere perspectieven en bereid zijn om je eigen ideeën bij te stellen.

Dat is misschien wel de belangrijkste les die we uit nemawashi kunnen halen.

Sterk leiderschap betekent niet dat je altijd zelf met de beste oplossing moet komen. Het betekent ook dat je omstandigheden creëert waarin een goede oplossing kan ontstaan.

Door de juiste mensen tijdig te betrekken, maak je gebruik van de kennis en ervaring die al in de organisatie aanwezig is.

Duidelijke grenzen te stellen, voorkom je onrealistische verwachtingen.

Door werkelijk te luisteren, ontdek je wat er nodig is om een verandering te laten slagen.

En door uiteindelijk een helder besluit te nemen, zorg je ervoor dat al die voorbereiding ook tot resultaat leidt.

Nemawashi is daarmee veel meer dan een Japanse besluitvormingstechniek. Het is een manier van kijken naar verandering, samenwerking en leiderschap.

Een manier die ons eraan herinnert dat een beslissing pas echt waarde krijgt wanneer ze ook in de praktijk werkt.

En daarvoor is niet alleen een goed plan nodig, maar ook aandacht voor de mensen die het plan moeten realiseren.

De volgende keer dat je een belangrijke beslissing moet voorbereiden, loont het daarom om jezelf een eenvoudige vraag te stellen: heb ik alleen mijn voorstel voorbereid, of ook de omstandigheden waarin het moet landen?

Want zoals de Japanse metafoor ons zo mooi leert: wie een boom succesvol wil verplanten, begint niet met trekken aan de stam, maar met het zorgvuldig voorbereiden van de wortels.

En misschien geldt voor belangrijke beslissingen in onze organisaties precies hetzelfde.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Genchi Genbutsu: de werkvloer zien

We nemen elke dag beslissingen op basis van cijfers, rapporten, dashboards en verhalen van anderen. Maar hoe dicht staan die beslissingen nog bij wat er werkelijk gebeurt? Genchi Genbutsu, vaak vertaald als ‘go and see’, vertrekt vanuit een eenvoudig maar krachtig principe: als je een situatie echt wilt begrijpen, moet je naar de bron. Niet om te controleren of meteen op te lossen, maar om te kijken, te luisteren en te begrijpen. En precies dat blijkt veel moeilijker dan het klinkt.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

De werkelijkheid laat zich niet vangen in een spreadsheet

Er zit iets bijna vanzelfsprekends in Genchi Genbutsu. Ga naar de plek waar het gebeurt en kijk zelf. Wie kan daar nu tegen zijn?

En toch doen we het verrassend weinig.

Toen Maarten na zijn studies bij Janssen Pharmaceutica begon, loste hij heel wat problemen op vanachter zijn bureau. Er waren cijfers, SAP-data en Excelbestanden. Daaruit kon je toch afleiden wat er aan de hand was? De cijfers waren tenslotte objectief.

Tot op zekere hoogte klopt dat ook. Data kunnen bijzonder waardevol zijn. Genchi Genbutsu vraagt dan ook niet om cijfers aan de kant te schuiven. Het vraagt wel om iets extra’s: sta op van je stoel en ga kijken wat er achter die cijfers gebeurt.

Genchi Genbutsu is afkomstig uit de Lean-filosofie en wordt meestal vrij vertaald als ‘go and see’. Ga zelf kijken. In de achterliggende gedachte zitten drie vormen van werkelijkheid. Er is de werkelijke plek: de plaats waar waarde ontstaat, informatie stroomt of een probleem optreedt. Er is het werkelijke ding: het product, het dossier, de bestelling, het materiaal, de dienst of bijvoorbeeld de klantreis die je wilt onderzoeken. En ten slotte zijn er de werkelijke feiten: wat gebeurt er daadwerkelijk met tijd, kwaliteit, volgorde, overdrachten en interacties?

Samen brengen die drie je dichter bij een empirisch begrip van een situatie. Niet begrijpen omdat iemand je heeft verteld hoe het proces werkt. Niet begrijpen omdat het zo in een procedure staat. En ook niet begrijpen omdat een dashboard een bepaalde richting aanwijst.

Begrijpen omdat je het zelf hebt gezien.

Daar zit meteen ook de moeilijkheid. Want kijken doen we zelden helemaal onbevangen.

Kijken zonder al te weten wat je gaat zien

We denken graag dat we objectief observeren. In werkelijkheid nemen we voortdurend onze ervaringen, verwachtingen en overtuigingen mee.

“Dat kan niet.”

“Dat probleem kennen we al.”

“Die medewerker volgt gewoon de standaard niet.”

“Zie je wel, ik dacht al dat het daar fout ging.”

Het zijn menselijke reacties. Tegelijk vormen ze filters tussen ons en de werkelijkheid. Zodra je met een vooraf bedachte verklaring naar een situatie kijkt, ontstaat het risico dat je vooral gaat zoeken naar de bevestiging ervan.

Daarom vraagt Genchi Genbutsu iets wat voor veel leidinggevenden tegennatuurlijk voelt: stel je oordeel uit.

Niet alleen je oordeel trouwens, maar ook je oplossing.

Dat onderscheidt Genchi Genbutsu van een gewone managementronde of een audit. Het gaat niet om een wandeling door de organisatie waarbij je iedereen goedendag zegt en informeert hoe het gaat. Zulke contacten zijn waardevol, maar hebben een ander doel. Evenmin is Genchi Genbutsu een inspectie waarbij je met een checklist nagaat of medewerkers alles volgens afspraak uitvoeren.

Je komt niet controleren. Je komt begrijpen.

Dat betekent ook dat je tijdens het observeren niet voortdurend moet ingrijpen. Wie een probleem ziet, heeft vaak de reflex om het meteen op te lossen. Zeker in organisaties waar resultaatgerichtheid en daadkracht sterk gewaardeerd worden. Een goede leidinggevende ziet een probleem en onderneemt actie. Toch?

Soms wel. Maar wie te snel ingrijpt, loopt het risico een symptoom weg te werken voordat duidelijk is geworden wat er werkelijk achter zit.

Genchi Genbutsu creëert bewust ruimte tussen waarnemen en reageren. Eerst kijken. Dan begrijpen. Pas daarna handelen.

Zelf klant worden van je eigen proces

Een eenvoudig voorbeeld uit de eigen praktijk laat zien hoe krachtig dat kan zijn.

Lean Leadership kreeg een mail van iemand die het boek De Verbetercultuur via de website had besteld. De klant meldde twee problemen. Het was niet duidelijk waar het huisnummer moest worden ingevuld en evenmin of de aanvraag voor een factuur correct was geregistreerd.

De eerste menselijke reactie ligt voor de hand: dat kan toch niet?

Er waren al heel wat boeken verkocht. Niemand had daar eerder over geklaagd. Het proces werkte dus blijkbaar.

Maar in plaats van de melding vanuit die overtuiging te beoordelen, besloten Marten en Caroline het proces zelf te doorlopen. Ze kochten hun eigen boek via hun eigen website en deden precies wat een klant zou doen.

Toen veranderde het beeld.

Er bleek inderdaad geen apart veld voor het huisnummer te zijn. Je kon het huisnummer wel naast de straatnaam invullen, maar vanzelfsprekend was dat niet. Vervolgens duidden ze aan dat ze een factuur wilden ontvangen. In de bevestigingsmail was daarvan echter niets terug te vinden.

En daar bleef het niet bij. Ook aan de kant van de verkoper bleek de informatie verkeerd binnen te komen: standaard verscheen de melding dat er géén factuur nodig was, zelfs wanneer de klant expliciet had aangegeven er wel een te willen.

Door één concrete klantreis zelf te volgen, werden plots problemen zichtbaar die vanachter een bureau gemakkelijk onzichtbaar waren gebleven. Onderweg kwamen bovendien kleinere verbeterpunten aan het licht, bijvoorbeeld rond de bevestigingspagina.

Dat is Genchi Genbutsu in zijn meest tastbare vorm.

Niet discussiëren over de vraag of de klant gelijk heeft. Niet redeneren vanuit het feit dat eerdere klanten niet hebben geklaagd. Maar zelf naar de bron gaan en onderzoeken: wat gebeurt hier werkelijk?

Van observatie naar begrip

Een goede Genchi Genbutsu begint daarom met focus. Je gaat niet zomaar “eens op de werkvloer kijken”. Eerst bepaal je welke situatie of vraag je wilt begrijpen en welk besluit daarmee samenhangt.

Hoe concreter die vraag, hoe beter.

Stel dat de verkoopresultaten tegenvallen. Dan kun je eindeloos rapporten analyseren en algemene gesprekken met het verkoopteam voeren. Je kunt ook één concrete verkoop volgen. Vanaf het eerste telefoontje van een potentiële klant tot de afspraak, de offerte, de productie, de levering, de factuur en uiteindelijk de betaling.

Zo’n traject kan dagen of zelfs weken duren. Maar door één werkelijke klant door het proces te volgen, zie je overdrachten, wachttijden, informatiestromen, afwijkingen en herstelwerk die in algemene procesbeschrijvingen nauwelijks zichtbaar zijn.

Voor je begint, verzamel je de feiten die al beschikbaar zijn. Een klacht, cijfers, een incidentmelding of andere relevante informatie helpt om de observatie te richten. Tegelijk zorg je voor de nodige toestemming en informeer je de betrokken medewerkers.

Dat laatste is essentieel.

Wanneer een leidinggevende plots naast iemand gaat staan en begint te observeren, kan dat bijzonder bedreigend voelen. Zeker wanneer medewerkers niet weten waarom dat gebeurt. Genchi Genbutsu werkt alleen wanneer duidelijk is dat het doel niet is om mensen op fouten te betrappen.

Daarom is misschien wel de belangrijkste vraag tijdens zo’n onderzoek:

Help me begrijpen.

Die houding verandert alles.

Eerst observeer je. Je kijkt naar volgorde, beweging, wachttijden, overdrachten, informatie, afwijkingen en herstelwerk. Je maakt notities en documenteert wat je ziet. Pas daarna stel je vragen.

Ook de manier waarop je die vragen formuleert, maakt een groot verschil. “Waarom heb je de standaard niet gevolgd?” klinkt al snel als een beschuldiging. De onderzoekende variant is anders: “Wat maakt het moeilijk om deze standaard te volgen?” Of: “Help me begrijpen waarom je hier voor deze werkwijze kiest.”

Het verschil lijkt subtiel, maar voor de medewerker is het enorm. In het eerste geval moet iemand zich verdedigen. In het tweede geval wordt iemand uitgenodigd om kennis over het echte werk te delen.

En precies daar zit vaak informatie die in geen enkel rapport terug te vinden is.

De rauwe werkelijkheid durven zien

Genchi Genbutsu vraagt niet alleen iets van degene die observeert. Het vraagt ook iets van de organisatie.

De werkelijke situatie moet namelijk zichtbaar mogen zijn.

Dat klinkt logisch, totdat het management aankondigt dat het morgen op bezoek komt en de afdeling zich plots begint voor te bereiden. Werkplekken worden extra opgeruimd, dossiers worden rechtgelegd en iedereen zorgt ervoor dat alles er zo goed mogelijk uitziet.

Menselijk? Absoluut.

Nuttig voor Genchi Genbutsu? Veel minder.

Je bent namelijk niet op zoek naar de ideale versie van het proces. Je wilt de rauwe werkelijkheid zien. Inclusief de tijdelijke oplossingen, omwegen, frustraties en kleine dagelijkse problemen die medewerkers normaal gesproken zelf oplossen.

Daarvoor is veiligheid nodig. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat het tonen van een probleem niet automatisch leidt tot schuldvragen of verwijten.

Dat is ook waarom een Genchi Genbutsu kan mislukken wanneer het management er een soort parade van maakt. Een groep leidinggevenden trekt gezamenlijk door een afdeling, stelt veel vragen en laat vooral zien hoeveel kennis ze zelf in huis hebben. De boodschap die medewerkers dan ervaren is niet: “We willen begrijpen wat hier gebeurt.” Ze horen eerder: “Wij komen kijken en weten hoe het beter moet.”

Op dat moment verdwijnt de openheid die je net nodig hebt.

Een tweede valkuil is dat één observatie plots de waarheid over de hele organisatie wordt. Genchi Genbutsu werkt bewust met concrete situaties, maar één dossier blijft één dossier. Wanneer je iets opvallends ontdekt, moet je vervolgens toetsen of hetzelfde verschijnsel ook elders optreedt. Anders dreigt anekdotiek: een interessant voorbeeld wordt onterecht verheven tot een algemeen probleem.

De kunst is dus om klein genoeg te kijken om werkelijk te kunnen begrijpen, en daarna breed genoeg te toetsen om te weten of je bevinding betekenisvol is.

De werkvloer is niet altijd een fabriekshal

Bij het woord ‘werkvloer’ denken veel mensen automatisch aan productie. Machines, operatoren, lijnen en materialen. Maar Genchi Genbutsu is veel breder toepasbaar.

De werkelijke plek kan evengoed een kantoor zijn. Een klantcontactcentrum. Een vergaderruimte. Een softwarescherm. Een digitaal aanvraagproces. Een dossier dat door verschillende afdelingen beweegt. Of de volledige ervaring van een klant die probeert iets bij je organisatie te bestellen.

De relevante vraag is niet: waar is onze werkvloer?

De vraag is: waar gebeurt datgene wat ik probeer te begrijpen?

Dat onderscheid is belangrijk, zeker in organisaties waar waarde voornamelijk door informatie en interactie ontstaat. Wie een administratief proces wil begrijpen, hoeft niet noodzakelijk naast één medewerker te gaan staan. Misschien moet je een dossier volgen terwijl het door verschillende systemen en afdelingen beweegt. Wie een besluitvormingsproces wil onderzoeken, ontdekt misschien dat de echte werkvloer een reeks vergaderingen is.

Genchi Genbutsu gaat uiteindelijk niet over fysiek rondlopen. Het gaat over afstand verkleinen.

De afstand tussen management en uitvoering. Tussen data en ervaring. Tussen de formele procedure en wat mensen daadwerkelijk doen. Tussen de veronderstelde werkelijkheid en de echte werkelijkheid.

Daarmee wordt het ook een vorm van leiderschap.

Een leidinggevende die regelmatig naar de bron gaat, ontwikkelt een ander begrip van de organisatie dan iemand die uitsluitend via rapportages kijkt. Tegelijk ontstaat er een belangrijke uitdaging: hoe bezoek je de werkvloer zonder een controleur te worden, maar ook zonder als toerist rond te lopen?

Dat evenwicht vind je niet met één techniek.

Het ontstaat door aanwezigheid.

Wie maandenlang nauwelijks op de werkvloer komt en plots een formele Genchi Genbutsu uitvoert, maakt het moment automatisch groot. De afstand is dan voelbaar. Wie daarentegen regelmatig aanwezig is, informele gesprekken voert, Gemba Walks doet en oprechte interesse toont, verlaagt de drempel. Een gerichte observatie wordt dan minder uitzonderlijk en daardoor ook minder bedreigend.

Niet elk bezoek hoeft dus een Genchi Genbutsu te zijn. Gelukkig maar. Soms mag je gewoon vragen hoe het met iemand gaat.

Eerst begrijpen, dan verbeteren

Misschien is dat uiteindelijk de diepste betekenis van Genchi Genbutsu. Het is veel minder een Lean-tool dan de naam doet vermoeden.

Het is een discipline.

De discipline om niet onmiddellijk te geloven dat je al weet wat er aan de hand is. Om een klacht niet weg te redeneren omdat niemand anders ooit heeft geklaagd. Om een afwijking van een standaard niet meteen aan de medewerker toe te schrijven. Om cijfers serieus te nemen zonder te veronderstellen dat ze het volledige verhaal vertellen.

En vooral: de discipline om niet meteen in te grijpen.

Dat vraagt tijd en oefening. Observeren zonder oordeel is geen natuurlijke toestand die je na één workshop beheerst. Je moet jezelf er telkens opnieuw op betrappen dat je conclusies trekt terwijl je eigenlijk nog aan het kijken zou moeten zijn.

Daarom is Genchi Genbutsu geen eenmalige oefening. Het is een slim proces dat je herhaaldelijk toepast. Begin klein. Een klantklacht of een arbeidsongeval kan een goede aanleiding zijn. Kies één concrete situatie en volg die naar de bron. Kijk wat er werkelijk gebeurt. Praat met de mensen die het werk uitvoeren. Stel vragen vanuit nieuwsgierigheid. Toets vervolgens of wat je hebt gezien ook elders voorkomt.

En vergeet daarna niet terug te koppelen.

Ook dat hoort bij goed leiderschap. Wanneer medewerkers tijd maken, uitleg geven en de werkelijkheid van hun werk laten zien, mogen ze weten wat daarmee gebeurt. Niets is zo frustrerend als leidinggevenden die veel vragen stellen, vertrekken en vervolgens nooit meer iets laten horen.

Genchi Genbutsu draait om werkelijkheid. Maar die werkelijkheid bestaat niet alleen uit processen, cijfers, producten en dossiers. Ze bestaat ook uit mensen en uit de manier waarop zij jouw aanwezigheid ervaren.

Misschien zit daarin nog een laatste, bijna paradoxale toepassing van Genchi Genbutsu: wil je weten of je als leidinggevende goed naar de werkvloer gaat, probeer dan niet zelf het antwoord te bedenken.

Ga het vragen.

Ga kijken.

En probeer eerst te begrijpen.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Kata: beter worden in verbeteren

Continu verbeteren klinkt eenvoudig. Je ziet een probleem, onderzoekt wat er aan de hand is en probeert het op te lossen. In de praktijk blijkt dat een stuk moeilijker. Problemen zijn zelden zo helder als ze op het eerste gezicht lijken, informatie ontbreekt en onze aandacht dwaalt snel af naar mogelijke oplossingen. Kata biedt daar een antwoord op. Niet door een nieuwe ingewikkelde techniek toe te voegen, maar juist door telkens dezelfde eenvoudige routine te volgen. Want wie beter wil worden in verbeteren, moet ook het verbeteren zelf oefenen.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Een routine voor situaties waarin je het antwoord nog niet kent

Wie al langer met Lean werkt, kent wellicht de naam Mike Rother. Hij is onder meer bekend van Learning to See, een boek over value stream mapping. Maar Rother verdiepte zich ook in een andere vraag: hoe zorgen organisaties ervoor dat verbeteren niet beperkt blijft tot een eenmalig project, maar een vaardigheid wordt die mensen steeds beter leren beheersen?

Daar komt Kata in beeld.

Het woord komt oorspronkelijk uit de Japanse krijgskunsten. Een kata is daar een vaste reeks bewegingen die telkens opnieuw wordt uitgevoerd. De bedoeling daarvan is niet om mensen gedachteloos hetzelfde kunstje te laten herhalen. Net het tegenovergestelde. Door een routine zo vaak te oefenen dat de basisbewegingen vertrouwd raken, ontstaat er ruimte om aandacht te besteden aan de kwaliteit van de uitvoering.

Hetzelfde principe herken je in andere disciplines. Wie voor het eerst een yogales volgt, is vooral bezig met wat hij precies moet doen. Welke houding komt nu? Waar moet mijn voet staan? Hoe moet ik bewegen? Een ervaren beoefenaar hoeft daar veel minder bewust over na te denken en kan zich daardoor sterker concentreren op de uitvoering en de beleving.

Dat principe vertaalt Kata naar continu verbeteren.De routine is bewust eenvoudig. Door telkens opnieuw dezelfde denkstappen te doorlopen, hoeft de energie niet voortdurend naar het proces van probleemoplossing zelf te gaan. Er ontstaat ruimte om dieper naar het probleem te kijken.

Dat maakt Kata vooral interessant voor complexe situaties waarin de oplossing niet vooraf bekend is. Soms weten we immers perfect welk knopje we moeten omdraaien om een probleem op te lossen. Maar vaak ontbreekt die duidelijkheid. Er zijn meerdere factoren, onvoldoende gegevens of verschillende mogelijke oorzaken. Dan moet je eerst leren begrijpen wat er werkelijk gebeurt.

Twee routines die elkaar versterken

Kata bestaat eigenlijk uit twee nauw verbonden onderdelen: de Improvement Kata en de Coaching Kata.

De Improvement Kata is de routine waarmee iemand een probleem of verbetermogelijkheid onderzoekt. Die persoon wordt binnen Kata vaak de learner of leerling genoemd. Hij of zij probeert de huidige situatie te begrijpen, formuleert een doeltoestand en zet vervolgens kleine stappen in die richting.

Naast die leerling staat een coach. Die neemt het probleem niet over en vertelt evenmin wat de oplossing moet zijn. De coach gebruikt de Coaching Kata om de leerling te helpen scherper te denken. Dat gebeurt aan de hand van terugkerende vragen die uitnodigen tot reflectie.

Daar zit een belangrijk verschil met de klassieke reflex die we in organisaties vaak zien. Wanneer iemand met een probleem komt, willen leidinggevenden of ervaren collega’s snel helpen. Ze geven advies, vertellen wat zij zouden doen of springen zelf in de oplossing. Dat kan op korte termijn efficiënt lijken, maar het helpt de ander niet noodzakelijk om beter te worden in probleemoplossing.

Binnen Kata ligt het accent daarom op het ontwikkelen van het denkproces. De leerling wordt beter in verbeteren. De coach wordt tegelijkertijd beter in coachen.

Daar kan zelfs nog een derde rol bij komen: de zogenaamde second coach. Die begeleidt niet de leerling, maar de coach. Zo ontstaat een systeem waarin verschillende mensen hun vaardigheden tegelijkertijd ontwikkelen. De leerling scherpt zijn probleemoplossend vermogen aan, de coach ontwikkelt zijn coachingsvaardigheden en de second coach helpt om ook die begeleiding steeds sterker te maken.

Kata gaat daardoor over meer dan het oplossen van één probleem. Het is een manier om leervermogen in een organisatie te ontwikkelen.

Eerst scherp krijgen wat het probleem werkelijk is

De Improvement Kata bestaat uit een aantal terugkerende stappen. De eerste lijkt bedrieglijk eenvoudig: het probleem scherpstellen.

Wat is er precies aan de hand?

In organisaties wordt die vraag verrassend vaak onvoldoende beantwoord. We voelen bijvoorbeeld dat de doorlooptijd te lang is, dat de conversie tegenvalt of dat een proces niet goed loopt. Rond de tafel verschijnen vervolgens verschillende interpretaties. De ene persoon kijkt naar planning, iemand anders naar capaciteit en een derde naar klanttevredenheid.

Iedereen heeft een stukje van het verhaal. En iedereen brengt zijn eigen cijfers, ervaringen en aannames mee.

Voor je het weet, wordt er al over oplossingen gesproken terwijl nog niet duidelijk is welk probleem eigenlijk wordt opgelost. Kata dwingt je om daar niet overheen te stappen. Een goede probleemstelling moet zo concreet mogelijk worden gemaakt met feiten en cijfers. Wat kunnen we werkelijk vaststellen? Wat kunnen we meten? Wat weten we en wat denken we alleen maar te weten?

Het betekent ook dat je de scope van het probleem bepaalt. Waar kijken we wel naar en waar voorlopig niet? Zonder die afbakening dreigt een verbetertraject voortdurend uit te dijen. Elk probleem raakt immers wel aan iets anders. Voor je het weet, probeer je de halve organisatie tegelijk te verbeteren.

De tweede stap gaat daarom verder met het begrijpen van de huidige toestand. Hoe ziet het proces werkelijk uit? Welke inputs zijn er? Welke outputs ontstaan? Welke mensen zijn erbij betrokken? Welke omstandigheden hebben invloed op het resultaat?

Hier verschuift de aandacht van wat we denken dat er gebeurt naar wat er daadwerkelijk gebeurt. Dat onderscheid is cruciaal.

Van een grote ambitie naar een kleine doeltoestand

Zodra het probleem en de huidige toestand beter begrepen zijn, komt de volgende vraag: waar willen we naartoe? Binnen Kata wordt dat vertaald naar een doeltoestand. Ook die wordt zo concreet mogelijk gemaakt.

Daarbij is het verleidelijk om meteen groot te denken. Als de doorlooptijd te lang is, willen we die misschien halveren. Als de kwaliteit onvoldoende is, willen we onmiddellijk naar bijna nul fouten. Ambitie is op zichzelf niet verkeerd, maar Kata richt zich bewust op kleine, haalbare stappen.

Dat heeft alles te maken met de frequentie van de routine. Kata is niet bedoeld als een verbeterproject waarbij een team maandenlang werkt aan één grote oplossing. Het principe is juist dat je hoogfrequent door dezelfde cyclus gaat. Je zet een stap, kijkt wat er gebeurt, leert daarvan en bepaalt vervolgens de volgende stap.

Daardoor krijgt verbeteren het karakter van experimenteren. Je verandert iets in het proces omdat je verwacht dat dit een bepaald resultaat zal opleveren. Vervolgens kijk je wat er werkelijk gebeurt.

Misschien werkt het. Misschien ook niet. Dat laatste is binnen Kata niet automatisch een mislukking. Een experiment dat niet het verwachte resultaat oplevert, levert immers nieuwe informatie op. Je weet iets wat je voordien niet wist. Daardoor kun je de situatie opnieuw bekijken en een volgende, beter onderbouwde stap zetten.

Na verloop van tijd bereik je de doeltoestand of ontdek je dat je oorspronkelijke beeld moet worden aangepast. Vervolgens begint de routine opnieuw. Je kijkt opnieuw naar het probleem, opnieuw naar de huidige situatie en opnieuw naar een volgende gewenste toestand. Zo ontstaat verdieping. Bij iedere cyclus zoom je verder in. Je begrijpt het probleem beter, ziet nuances die aanvankelijk verborgen bleven en verzamelt kennis die je eerder niet had.

De kunst van de coach: vragen stellen zonder het antwoord over te nemen

Naast de Improvement Kata staat de Coaching Kata. Daarin begeleidt een coach de leerling tijdens het verbeterproces.

Dat kan bijvoorbeeld gebeuren in een kort, terugkerend gesprek. De coach kijkt samen met de leerling naar wat er sinds het vorige gesprek gebeurd is en naar de volgende stap. Het hoeft geen lange vergadering te worden. Juist de regelmaat is belangrijk.

De vragen zijn opnieuw opvallend eenvoudig. Wat is de doeltoestand? Wat is de huidige toestand? Welke obstakels verhinderen je om de doeltoestand te bereiken? Aan welk obstakel werk je nu? Wat is je volgende stap en wat verwacht je daarvan? En wanneer kunnen we bekijken wat die stap heeft opgeleverd?

Op papier is daar weinig spectaculairs aan. De kwaliteit zit niet in ingewikkelde modellen of moeilijke terminologie. De kwaliteit zit in de manier waarop de coach blijft doorvragen.

Een coach moet weerstand kunnen bieden aan de neiging om zelf antwoorden te geven. Hij helpt de leerling om onderscheid te maken tussen feiten en veronderstellingen en durft te benoemen wanneer iets eigenlijk nog niet geweten is.

Een voorbeeld uit de praktijk maakt dat duidelijk. Tijdens een coaching met twee managers kwam de doorlooptijd van een proces ter sprake. Het probleem leek helder: de tijd tussen offerte en geleverd product was veel te lang. Maar toen kwam de eenvoudige vraag: hoe lang is die doorlooptijd precies? Er was een inschatting. Een gevoel. Misschien zelfs een getal waarvan iedereen aannam dat het ongeveer juist was. Alleen: ze wisten het eigenlijk niet.

Dat besef werd het begin van het echte onderzoek. De managers gingen gegevens verzamelen en ontdekten gaandeweg dat de situatie genuanceerder was dan gedacht. Er bleken verschillende soorten dienstverlening te zijn die elk hun eigen doorlooptijd hadden. Eén gemiddelde vertelde dus niet het volledige verhaal.

Dat is precies wat goede coaching kan doen. Niet het antwoord geven, maar zichtbaar maken welke kennis nog ontbreekt.

Focus is misschien wel de grootste winst

Een van de moeilijkste onderdelen van probleemoplossing is niet het vinden van ideeën. Meestal hebben mensen ideeën genoeg.

Het moeilijke is focus houden. Wanneer een groep zich over een probleem buigt, verschijnen al snel allerlei zijpaden. Iemand herinnert zich een ander probleem dat ermee samenhangt. Een collega heeft nog een idee dat misschien interessant kan zijn. Er duikt een uitzondering op. Iemand heeft vorige maand iets soortgelijks gezien. Voor je het weet, ligt de tafel vol mogelijke oorzaken, oplossingen, cijfers en meningen.

Ons denken is van nature niet bijzonder zuiver. We associëren, springen vooruit en combineren feiten met interpretaties. Kata probeert die menselijke neiging niet weg te ontwerpen. De routine helpt ons er beter mee om te gaan.

Door telkens terug te keren naar dezelfde vragen ontstaat houvast. Wat proberen we te bereiken? Waar staan we nu? Wat houdt ons tegen? Wat weten we daadwerkelijk? Wat is de eerstvolgende stap?

Focus, focus, focus.

Dat klinkt eenvoudig, maar het vraagt oefening. Net daarom is de herhaling zo belangrijk. De kracht van Kata zit niet in één keer perfect door de stappen gaan. Ze zit in het steeds opnieuw uitvoeren van dezelfde routine, waardoor je geleidelijk beter leert waarnemen, onderzoeken en experimenteren.

Daarmee raakt Kata aan de kern van een verbetercultuur.

Een verbetercultuur ontstaat namelijk niet omdat een organisatie ergens opschrijft dat continu verbeteren belangrijk is. Ze ontstaat wanneer mensen terugkerende routines ontwikkelen die hen helpen om daadwerkelijk iedere dag beter te worden.

Beter worden in verbeteren

Kata is geen spectaculaire methode. Misschien is dat juist haar kracht. De stappen zijn eenvoudig. De vragen zijn herkenbaar. Er is geen ingewikkeld systeem nodig om ermee te beginnen.

Maar eenvoudig betekent niet gemakkelijk. Een probleem werkelijk scherp definiëren is moeilijk. Erkennen dat je iets niet weet, is moeilijk. Niet meteen naar een oplossing springen, is moeilijk. Als coach je eigen antwoord inslikken en in plaats daarvan een goede vraag stellen, is eveneens moeilijk. En na een experiment opnieuw naar de feiten kijken zonder jezelf gelijk te willen geven, vraagt discipline.

Daarom draait Kata om oefenen. Zoals bij een krijgskunst of bij yoga zorgt de herhaling ervoor dat de routine steeds vertrouwder wordt. Daardoor komt de aandacht vrij voor wat er werkelijk toe doet: beter kijken, scherper denken en dieper begrijpen. En misschien is dat wel een van de belangrijkste principes van continu verbeteren. Organisaties worden niet beter omdat ze één keer een uitstekend verbeterproject uitvoeren. Ze worden beter wanneer mensen steeds vaardiger worden in het verbeteren zelf.

Niet door telkens een nieuwe methode te zoeken, maar soms juist door dezelfde eenvoudige routine steeds opnieuw te oefenen.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Belonen

Organisaties krijgen vaak niet het gedrag dat ze wensen, maar het gedrag dat ze belonen. Dat klinkt eenvoudig, bijna te vanzelfsprekend om lang bij stil te staan. En toch lopen net daar veel beloningssystemen vast. We hopen op samenwerking, kwaliteit, initiatief en verbetering, maar belonen ondertussen vooral snelheid, volume, omzet of individuele prestaties. De vraag is dus niet alleen hoe we mensen belonen, maar vooral welk gedrag we daarmee echt versterken.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Een artikel uit 1975 dat vandaag nog altijd actueel aanvoelt, dat zegt iets. In On the Folly of Rewarding A, While Hoping for B beschreef Stephen Kerr hoe organisaties vaak iets anders belonen dan wat ze eigenlijk willen bereiken. De titel vat het pijnlijk helder samen: we hopen op B, maar belonen A. En daarna zijn we verbaasd dat mensen A beginnen doen.

Het bijzondere is dat dit thema bijna vijftig jaar later nog niets van zijn relevantie heeft verloren. Integendeel. In organisaties wordt vandaag meer dan ooit gesproken over cultuur, eigenaarschap, samenwerking, welzijn, klantgerichtheid, duurzaamheid en continu verbeteren. Maar zodra we kijken naar wat echt gemeten, besproken en beloond wordt, komen vaak dezelfde klassieke indicatoren terug: aantallen, omzet, snelheid, targets en individuele resultaten.

Daar zit een spanning. Niet omdat cijfers verkeerd zijn, maar omdat ze maar een deel van de werkelijkheid zichtbaar maken. Wat gemakkelijk te meten is, is niet noodzakelijk wat het meest waardevol is. En wat zichtbaar beloond wordt, is niet altijd wat een organisatie op lange termijn sterker maakt.

Elke organisatie beloont gedrag. Soms gebeurt dat bewust, via bonussen, opslag, promoties of erkenning. Soms gebeurt het subtieler, via aandacht, status, spreektijd in vergaderingen of de vraag wie als voorbeeld wordt genoemd. Belonen gaat dus over meer dan geld. Het gaat over signalen. Over wat belangrijk wordt gemaakt. Over wat medewerkers leren dat telt.

Daarom is een beloningssysteem nooit neutraal. Het stuurt. Het vertelt mensen waar ze hun energie best op richten. Wanneer een contactcenter medewerkers beloont op het aantal afgehandelde oproepen, zullen ze sneller opnemen en meer gesprekken verwerken. Maar misschien daalt tegelijk de kwaliteit van het gesprek. Wanneer productiemedewerkers per stuk worden betaald, stijgt de output misschien tijdelijk. Maar de kans bestaat dat mensen vooral het systeem leren optimaliseren, niet het werk zelf.

Dat is geen kwestie van slechte wil. Het is menselijk gedrag. Mensen reageren op de context waarin ze werken. Ze zoeken uit wat loont, letterlijk en figuurlijk. Wanneer de organisatie zegt dat kwaliteit belangrijk is, maar vooral snelheid beloont, wordt snelheid de echte boodschap. Wanneer samenwerking op de muur hangt, maar individuele resultaten de promoties bepalen, weten medewerkers snel genoeg wat werkelijk telt.

De kernvraag is dus niet of mensen gemotiveerd zijn. De vraag is waardoor ze gemotiveerd worden, en of dat overeenkomt met wat de organisatie echt wil bereiken.

1. De valkuil van eenvoudige cijfers

Organisaties houden van meetbaarheid. Dat is begrijpelijk. Cijfers geven houvast. Ze maken vooruitgang zichtbaar, laten toe om te vergelijken en geven leidinggevenden het gevoel dat ze grip hebben. Zeker in complexe omgevingen is die behoefte aan eenvoud groot. Een helder getal lijkt orde te brengen in een werkelijkheid die anders moeilijk te vatten is.

Maar net daar ontstaat het risico. Hoe complexer het werk, hoe gevaarlijker het wordt om één eenvoudig cijfer te behandelen alsof het de hele waarheid vertelt.

Aantal verwerkte dossiers. Aantal gemaakte stuks. Aantal telefoons per uur. Omzet per maand. Bezettingsgraad. Doorlooptijd. Het zijn allemaal nuttige indicatoren, zolang we beseffen wat ze wel en niet zeggen. Ze tonen een stuk van het verhaal, maar niet noodzakelijk het geheel. Ze zeggen iets over volume, snelheid of output, maar minder over kwaliteit, samenwerking, leervermogen of klantwaarde.

In de podcast wordt het voorbeeld gegeven van een contactcenter waar medewerkers gestimuleerd werden om zoveel mogelijk calls af te handelen. Op papier leek dat logisch. Klanten wilden niet wachten, dus sneller opnemen en sneller doorschakelen leek een verbetering. Alleen bleek in de praktijk dat de kwaliteit van de gesprekken achteruitging. Mensen gingen calls sneller afronden om de volgende te kunnen nemen. Het systeem kreeg exact wat het beloonde: meer afgehandelde oproepen. Maar niet noodzakelijk betere dienstverlening.

Dat is een patroon dat in veel organisaties herkenbaar is. Zodra één indicator te dominant wordt, beginnen mensen hun gedrag daarop af te stemmen. Niet omdat ze het grotere geheel niet begrijpen, maar omdat het systeem hen leert waar de aandacht naartoe gaat. Wat gemeten wordt, wordt belangrijk. Wat beloond wordt, wordt leidend.

De valkuil is dus niet meten op zich. De valkuil is doen alsof het meetbare automatisch het waardevolle is.

2. Wanneer de spits alle applaus krijgt

Een tweede probleem is dat organisaties vaak belonen wat zichtbaar is. De medewerker die verkoopt, scoort of het eindresultaat oplevert, krijgt sneller erkenning dan de mensen die achter de schermen het resultaat mogelijk maakten. Dat is menselijk. We zien de goal, niet altijd de opbouw. We zien de omzet, niet altijd de samenwerking, voorbereiding, kwaliteit of ondersteuning die daaraan voorafging.

De vergelijking met voetbal is treffend. De spits die scoort, verschijnt in de samenvatting. Zijn naam wordt genoemd, zijn prestatie wordt herhaald en gevierd. Maar achter dat doelpunt zit een hele ploeg. Verdedigers die overeind blijven, middenvelders die ruimte creëren, spelers die zonder bal bewegen, trainers die patronen inslijpen. Zonder hen is er geen goal. Toch gaat de meeste aandacht naar het eindpunt.

In organisaties gebeurt hetzelfde. Sales krijgt vaak erkenning omdat verkoopresultaten duidelijk zichtbaar zijn. Productie krijgt aandacht wanneer targets gehaald worden. Maar technische diensten, kwaliteitsmedewerkers, planners, ondersteunende teams en verbeterteams blijven gemakkelijker buiten beeld. Hun werk is vaak minder spectaculair, maar niet minder essentieel.

Dat kan spanningen veroorzaken. Niet omdat mensen elkaar geen succes gunnen, maar omdat erkenning ongelijk verdeeld voelt. Wanneer één afdeling beloond wordt voor een resultaat dat eigenlijk door velen mogelijk werd gemaakt, ontstaat er ruis. Mensen vragen zich af of hun bijdrage wel gezien wordt. En zodra medewerkers het gevoel krijgen dat hun inspanning onzichtbaar blijft, daalt betrokkenheid.

Een goed beloningssysteem kijkt daarom niet alleen naar wie het laatste punt zet, maar naar het hele proces dat tot het resultaat leidt. Wie heeft bijgedragen? Waar zat samenwerking? Waar werd geleerd? Waar werd initiatief genomen? Wie heeft problemen voorkomen voordat ze zichtbaar werden? Wie maakte het anderen makkelijker om goed werk te leveren?

Dat zijn moeilijkere vragen dan “wie heeft het meeste verkocht?” of “welk team haalde de hoogste output?”. Maar ze brengen de organisatie dichter bij de werkelijkheid.

3. De kloof tussen mooie woorden en echte prikkels

Veel organisaties spreken vandaag over waarden die verder gaan dan winst alleen. Ze willen duurzaam zijn, inclusief, mensgericht, klantgericht en maatschappelijk verantwoord. Ze investeren in cultuurtrajecten, hangen waarden aan de muur en organiseren gesprekken over welzijn en betrokkenheid. Dat is op zich waardevol. Maar het wordt kwetsbaar wanneer de beloningssystemen een ander verhaal vertellen.

Medewerkers voelen die kloof snel. Een organisatie kan zeggen dat welzijn belangrijk is, maar wie structureel overwerkt en altijd beschikbaar is, krijgt misschien de meeste waardering. Een bedrijf kan samenwerking benoemen als kernwaarde, maar promoties geven aan wie vooral individueel zichtbaar scoort. Een leidinggevende kan zeggen dat leren belangrijk is, maar fouten toch hard afstraffen. In zo’n omgeving leren mensen niet van de woorden, maar van de consequenties.

Daarom is cultuur niet wat op posters staat. Cultuur is wat dagelijks beloond, getolereerd en genegeerd wordt.

Dat maakt het onderwerp belonen zo gevoelig. Belonen legt bloot wat een organisatie echt belangrijk vindt. Niet wat ze zegt belangrijk te vinden, maar wat ze in praktijk versterkt. Soms is dat verschil ongemakkelijk. Niet noodzakelijk omdat organisaties bewust hypocriet zijn, maar omdat ze vastzitten in oude systemen. Ze willen nieuwe waarden stimuleren, maar blijven sturen met oude parameters.

Daarmee wordt het moeilijk om geloofwaardig te blijven. Zeker wanneer medewerkers merken dat ze op één ding worden aangesproken in gesprekken over cultuur, maar op iets anders worden afgerekend in hun beoordeling. Dan ontstaat cynisme. Niet luid of spectaculair, maar stil en hardnekkig. Mensen doen nog wel mee, maar geloven het verhaal minder.

Een organisatie die ernstig werk wil maken van cultuur, moet dus ook haar beloningsmechanismen durven onderzoeken. Wie krijgt aandacht? Wie krijgt kansen? Wie wordt als voorbeeld genoemd? Welk gedrag leidt tot promotie? Welke resultaten worden gevierd? En welke inspanningen blijven telkens onzichtbaar?

Pas wanneer die vragen eerlijk beantwoord worden, wordt cultuur meer dan communicatie.

4. Geld motiveert, maar niet eindeloos

Financiële beloning doet ertoe. Daar moeten we niet flauw over doen. Een correct loon, zekerheid en eerlijke vergoeding zijn fundamenteel. Zeker voor mensen met lagere lonen kan extra financiële ruimte een groot verschil maken. Geld kan stress verminderen, waardering uitdrukken en mensen helpen om hun leven beter te organiseren.

Maar geld is geen oneindige motivatiemotor. Veel mensen kennen het gevoel: een opslag voelt de eerste maand goed, misschien de tweede ook nog. Daarna wordt het nieuwe bedrag normaal. Wat eerst een beloning was, wordt een verworvenheid. De prikkel verliest kracht.

Dat betekent niet dat financiële beloning onbelangrijk is. Het betekent wel dat geld alleen zelden voldoende is om langdurige betrokkenheid, eigenaarschap of verbeterkracht te creëren. Zeker wanneer mensen al een bepaald niveau van zekerheid en comfort hebben, verschuift motivatie naar andere vragen. Heb ik invloed op mijn werk? Word ik gezien? Kan ik groeien? Hoor ik erbij? Heeft wat ik doe betekenis? Kan ik goed werk leveren zonder telkens tegen het systeem te vechten?

Opvallend genoeg worden discussies over beloning vaak toch verengd tot geld. Werkgevers en werknemers komen snel terecht in gesprekken over loon, bonussen, vakantiedagen of extralegale voordelen. Dat zijn belangrijke thema’s, maar ze vormen niet het hele verhaal. Wie beloning alleen materieel bekijkt, mist een groot deel van wat mensen werkelijk drijft.

Bovendien kunnen financiële prikkels ongewenste effecten hebben wanneer ze verkeerd ontworpen zijn. Individuele bonussen kunnen samenwerking onder druk zetten. Targets kunnen kortetermijngedrag versterken. Stukloon kan leiden tot optimalisatie van aantallen, niet van kwaliteit. Een bonus op omzet kan marge, klantrelatie of duurzaamheid naar de achtergrond duwen.

De vraag is dus niet of geld werkt. De vraag is waarvoor het werkt, hoelang het werkt en welk gedrag het onderweg veroorzaakt.

5. Van output naar proces: belonen hoe resultaten ontstaan

Een sterker beloningssysteem kijkt niet alleen naar de uitkomst, maar ook naar de manier waarop die uitkomst tot stand komt. Dat vraagt een andere manier van kijken. Niet minder resultaatgericht, maar rijker resultaatgericht.

Want resultaten komen nooit uit het niets. Ze ontstaan in processen. In samenwerking tussen mensen. In de manier waarop problemen worden opgelost. In de ruimte die teams krijgen om te leren. In de kwaliteit van overleg. In de discipline om standaarden te volgen én te verbeteren. In de bereidheid om fouten zichtbaar te maken voordat ze schade veroorzaken.

Voor organisaties die werken vanuit Lean Leadership is dat een essentieel punt. Een verbetercultuur draait niet alleen om betere cijfers aan het einde van de maand. Ze draait om het vermogen van mensen om elke dag slimmer samen te werken. Om problemen te zien, bespreekbaar te maken en structureel aan te pakken. Om eigenaarschap te nemen over het proces, niet alleen over de output.

Wanneer je alleen het eindresultaat beloont, loop je het risico dat mensen de weg ernaartoe verwaarlozen. Dan wordt verbeteren iets extra’s, iets voor wanneer er tijd over is. Maar wanneer je ook het proces waardeert, geef je een ander signaal. Dan wordt leren onderdeel van het werk. Dan is samenwerken geen zachte waarde naast de cijfers, maar een voorwaarde om duurzame resultaten te halen.

Dat betekent niet dat alles meetbaar moet worden gemaakt. Sommige belangrijke dingen laten zich moeilijk in één cijfer vangen. Maar ze kunnen wel besproken, geobserveerd en gewaardeerd worden. Leidinggevenden spelen daarin een cruciale rol. Zij zien hoe teams omgaan met problemen. Zij kunnen vragen stellen over samenwerking, leervermogen en verbeterinitiatieven. Zij kunnen aandacht geven aan gedrag dat anders onder de radar blijft.

Belonen wordt dan minder een jaarlijkse rekensom en meer een dagelijkse leiderschapspraktijk.

6. Autonomie, verbondenheid en competentie als duurzame beloning

Wanneer financiële prikkels hun grens bereiken, komt de vraag naar intrinsieke motivatie op tafel. Wat maakt dat mensen goed werk willen leveren, niet omdat er meteen een bonus tegenover staat, maar omdat ze zich betrokken voelen bij hun werk en hun omgeving?

De zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan biedt daarvoor een sterke kapstok. Die vertrekt van drie psychologische basisbehoeften: autonomie, verbondenheid en competentie. Mensen willen invloed ervaren op hun werk. Ze willen zich verbonden voelen met anderen. En ze willen voelen dat ze iets kunnen, dat ze groeien en hun vakmanschap ontwikkelen.

Autonomie betekent niet dat iedereen zomaar doet waar hij zin in heeft. Het betekent dat mensen ruimte krijgen om mee te denken, beslissingen te nemen binnen duidelijke kaders en hun ervaring te gebruiken. Wie alleen uitvoert wat anderen bedenken, voelt minder eigenaarschap. Wie invloed krijgt op de manier waarop werk beter kan, wordt gemakkelijker mede-eigenaar van het resultaat.

Verbondenheid gaat over het gevoel erbij te horen. Niet als slogan, maar als dagelijkse ervaring. Heb ik collega’s op wie ik kan rekenen? Wordt mijn bijdrage gezien? Is er vertrouwen? Mag ik vragen stellen? Kan ik fouten bespreken zonder meteen afgerekend te worden? In zo’n context ontstaat samenwerking niet omdat het moet, maar omdat mensen zich deel voelen van een groter geheel.

Competentie gaat over vakmanschap. Mensen willen goed zijn in wat ze doen. Ze willen leren, sterker worden, problemen begrijpen en trots kunnen zijn op hun werk. Een organisatie die investeert in competentie, beloont mensen niet alleen met geld, maar met groei. Ze zegt: jouw ontwikkeling doet ertoe.

Samen vormen autonomie, verbondenheid en competentie een krachtige basis voor duurzame motivatie. Ze maken van belonen iets dat dieper gaat dan een bonus of een compliment. Ze raken aan de dagelijkse ervaring van werk. En precies daar wordt cultuur gebouwd.

Slot: je krijgt het gedrag dat je systeem mogelijk maakt

Belonen is moeilijker dan het lijkt. Niet omdat mensen ingewikkeld willen doen, maar omdat gedrag altijd ontstaat in een context. Zet de verkeerde prikkel op de verkeerde plaats en mensen zullen zich aanpassen. Beloon snelheid en je krijgt snelheid. Beloon aantallen en je krijgt aantallen. Beloon individuele zichtbaarheid en je krijgt individuele zichtbaarheid. Ook wanneer je eigenlijk hoopte op kwaliteit, samenwerking of verbetering.

Daarom vraagt een goed beloningssysteem om eerlijkheid. Niet alleen de vraag “wat willen we bereiken?”, maar ook: “wat belonen we vandaag echt?” En misschien nog belangrijker: “welk gedrag maken we aantrekkelijk, zichtbaar en veilig?”

Het antwoord ligt niet in één perfecte bonusformule. Daarvoor is werk te menselijk en zijn organisaties te complex. Het ligt eerder in een breder bewustzijn. Meet wat nuttig is, maar verwar het meetbare niet met het volledige verhaal. Kijk naar resultaten, maar onderzoek ook hoe die resultaten ontstaan. Erken de spits, maar vergeet het team niet. Spreek over waarden, maar zorg dat je systemen hetzelfde verhaal vertellen.

Voor Lean Leadership raakt dit aan de kern van verbeteren. Een organisatie wordt sterker wanneer mensen niet alleen werken voor een target, maar ook aan het proces, aan elkaar en aan hun eigen vakmanschap. Daar ontstaat motivatie die langer meegaat dan de volgende loonbrief. Niet spectaculair misschien, maar wel duurzaam.

Want uiteindelijk krijg je als organisatie zelden wat je zegt dat je belangrijk vindt. Je krijgt wat je consequent aandacht geeft, mogelijk maakt en beloont.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Just In Time

Just in time klinkt eenvoudig: produceren wat de klant vraagt, wanneer de klant het vraagt. Maar achter dat ogenschijnlijk simpele principe schuilt een fundamenteel andere manier van denken over organisaties, processen en leiderschap. Want zodra voorraden dalen en buffers verdwijnen, worden problemen zichtbaar. En precies daar begint de echte uitdaging van Lean. Hoe leren organisaties balanceren tussen urgentie en rust?

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Veel organisaties voelen comfortabel aan zolang er voldoende buffers aanwezig zijn. Er is voorraad in het magazijn, er lopen voldoende mensen rond op de werkvloer en klanten krijgen meestal snel antwoord. Van buitenaf lijkt alles stabiel. Maar die stabiliteit kan bedrieglijk zijn.

In de podcast beschrijven Maarten Bossers en Caroline Massa hoe voorraad vaak een gevoel van rust creëert. Problemen blijven verborgen omdat er voldoende marge is om fouten, vertragingen of inefficiënties op te vangen. Machines mogen even stilvallen, processen mogen haperen, medewerkers kunnen improviseren. De organisatie blijft draaien omdat er genoeg “water” boven de problemen staat. 

De metafoor van het bootje op het water is bijzonder krachtig. Het water stelt de voorraad voor, terwijl de rotsen onder het oppervlak symbool staan voor de problemen in het systeem. Zolang het water hoog staat, raakt de boot de rotsen niet. Maar zodra de voorraad daalt, worden de obstakels zichtbaar. Dat maakt Just in time tegelijk aantrekkelijk én confronterend.

Want veel organisaties denken dat ze efficiënt werken, terwijl ze in werkelijkheid vooral goed geworden zijn in het maskeren van problemen.

Just in time is geen snelheidstechniek

Vaak wordt Just in time verkeerd begrepen als een manier om sneller te produceren of om producten “last minute” af te werken. Maar de essentie ligt elders. Just in time gaat in de eerste plaats over het afstemmen van activiteiten op de echte klantvraag. Niet produceren omdat de planning het zegt, maar omdat er daadwerkelijk behoefte is. 

Dat vraagt een enorme discipline van organisaties. Want klantvraag fluctueert. Seizoenen veranderen. Markten bewegen. Toch blijkt die vraag vaker voorspelbaar dan veel bedrijven denken. Op basis van historische data, statistieken en ervaring kunnen organisaties patronen herkennen en daarop anticiperen. Caroline verwijst in de aflevering naar haar ervaring in een contactcenter, waar forecasting cruciaal was om voldoende medewerkers beschikbaar te hebben op piekmomenten. Ook daar draaide alles rond het zo goed mogelijk afstemmen van vraag en aanbod. 

Just in time gaat dus niet alleen over productieomgevingen. Het principe leeft even goed in dienstverlening, consultancy, logistiek of zorg. Overal waar capaciteit afgestemd moet worden op vraag, speelt dezelfde uitdaging.

Toch zit de echte moeilijkheid niet in de theorie, maar in de consequentie ervan. Zodra je bewust minder voorraad aanhoudt, verdwijnt de veiligheidsbuffer. Dan wordt elk probleem voelbaar. Een defecte machine. Een trage beslissing. Een onduidelijke afspraak. Een slechte overdracht tussen teams. Alles krijgt onmiddellijk impact.

En precies daarom vraagt Lean zoveel meer dan alleen technieken of tools.

Van push naar pull: de organisatie leren luisteren

Een van de meest fundamentele principes binnen Just in time is het verschil tussen push- en pullsystemen. Traditionele organisaties werken vaak volgens een pushlogica: centraal geplande productie die stap voor stap door het systeem wordt “geduwd”. Elke afdeling krijgt targets en produceert volgens planning. 

Dat lijkt efficiënt, maar creëert vaak grote tussenvoorraden. De ene stap produceert sneller dan de andere. Producten hopen zich op tussen machines of afdelingen. Problemen blijven verborgen achter die buffers.

Een pullsysteem werkt anders. Daar start een proces pas wanneer de volgende stap effectief iets nodig heeft. De vraag trekt als het ware het werk doorheen de organisatie. Dat kan visueel gemaakt worden via signalen, vaste locaties of kanbansystemen. Een lege plek wordt dan een signaal om opnieuw te produceren. 

Dat lijkt eenvoudig, maar het effect op een organisatie is enorm. Teams worden plots afhankelijk van elkaar. Doorlooptijden worden zichtbaar. Stilstanden hebben onmiddellijk impact. Er ontstaat urgentie.

En net daar ontstaat vaak weerstand. Want veel organisaties zijn historisch opgebouwd rond autonomie per afdeling. Elke ploeg optimaliseert haar eigen werking. Maar zodra je in een pullsysteem werkt, wordt samenwerking belangrijker dan lokale efficiëntie. Dan moet iedereen begrijpen hoe zijn werk invloed heeft op de rest van het systeem.

Dat vraagt niet alleen technische aanpassingen, maar vooral een andere mentale houding.

Waarom grote voorraden organisaties lui maken

Een van de meest opvallende inzichten uit de aflevering is hoe grote batches en hoge voorraden organisaties comfortabel maken — en tegelijk minder wendbaar.

Maarten beschrijft productieomgevingen waar machines een volledige week hetzelfde product draaiden. Dat werkte rustig en voorspelbaar. Eén omstelling op maandag, vervolgens vijf dagen produceren. Comfortabel voor medewerkers én planners. 

Maar net daarin schuilt het risico.

Wanneer organisaties lange tijd in zulke stabiliteit werken, verdwijnt de noodzaak om flexibel te worden. Medewerkers oefenen minder op omstellingen. Problemen worden niet dringend opgelost. Technische diensten hoeven niet snel te reageren. Processen worden traag maar comfortabel.

Tot de markt verandert.

Plots vraagt de klant iets anders. Er moet sneller geschakeld worden. Kleine series worden belangrijk. En dan blijkt dat de organisatie haar wendbaarheid verloren heeft.

Lean probeert die traagheid bewust te doorbreken door batchgroottes te verkleinen en voorraden systematisch te verlagen. Niet om mensen onder druk te zetten, maar om het systeem slimmer te maken.

Dat is een belangrijk onderscheid.

Want Lean draait niet om harder werken. Het draait om sneller leren. Problemen zichtbaar maken zodat ze opgelost kunnen worden. Kleine verstoringen niet wegduwen, maar gebruiken om processen sterker te maken.

Dat vraagt moed van leidinggevenden. Want zodra buffers verdwijnen, stijgt de spanning in het systeem. Teams voelen de impact onmiddellijk. Problemen worden persoonlijker, zichtbaarder en dringender.

Daarom is leiderschap cruciaal in een Just in time-omgeving.

De dunne lijn tussen urgentie en stress

Wanneer voorraden zakken, verandert niet alleen het proces. Ook de menselijke dynamiek verandert. Medewerkers voelen sneller druk. Problemen worden zichtbaarder. Technische diensten moeten sneller reageren. Teams moeten nauwer samenwerken. 

Dat kan energie geven, maar ook stress veroorzaken.

In de podcast benoemen Caroline en Maarten mooi hoe organisaties moeten leren balanceren tussen voldoende urgentie en te veel spanning. Zonder urgentie ontstaat stilstand. Maar wanneer de druk te hoog wordt, verdwijnt het vertrouwen.

Dat evenwicht is essentieel.

Lean-organisaties proberen daarom niet zomaar voorraad weg te nemen. Ze bouwen tegelijk probleemoplossend vermogen op. Ze investeren in standaardisatie, duidelijke afspraken en stabiele processen. Want zonder stabiele basis wordt Just in time chaos. 

Dat is misschien wel een van de meest onderschatte aspecten van Lean. Veel mensen zien enkel de technieken: kanban, flow, batchreductie, voorraadbeheer. Maar de echte uitdaging zit in het ontwikkelen van volwassenheid binnen teams.

Wie lost welk probleem op? Hoe snel reageren we? Wanneer escaleren we? Welke afspraken zijn helder? Hoe zorgen we ervoor dat problemen definitief opgelost worden?

Dat vraagt vakmanschap. Niet alleen technisch, maar ook menselijk. Mensen worden actiever betrokken bij het verbeteren van processen. Ze krijgen meer inzicht in het geheel. Problemen verdwijnen niet onder de radar, maar worden samen aangepakt.

Perfectie bestaat niet

Binnen Lean wordt vaak gesproken over het ideaal van nul voorraad. Maar ook in de podcast klinkt duidelijk dat dit een theoretische utopie blijft. Een boot zonder water vaart tenslotte niet. 

Dat is misschien de belangrijkste nuance in het hele verhaal.

Just in time betekent niet dat organisaties obsessief elke buffer moeten elimineren. Het betekent dat ze bewust omgaan met voorraad, capaciteit en doorlooptijd. Dat ze begrijpen waarom buffers bestaan en welke prijs ze hebben. Niet alleen financieel, maar ook organisatorisch.

Soms is extra voorraad zinvol. Soms is een buffer noodzakelijk om stabiliteit te bewaren. De kunst zit niet in extremen, maar in bewust kiezen. Lean is daarom geen dogma. Het is een voortdurende zoektocht naar evenwicht tussen efficiëntie en werkbaarheid, tussen flexibiliteit en stabiliteit, tussen urgentie en rust.

En misschien is dat net waarom Just in time zo moeilijk uit te leggen valt. Omdat het uiteindelijk niet alleen over logistiek of productie gaat, maar over hoe organisaties omgaan met onzekerheid, verantwoordelijkheid en leren.

Wie de voorraad verlaagt, verlaagt niet alleen het waterniveau. Die maakt zichtbaar hoe sterk het systeem werkelijk is.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Krachtige feedback

Feedback is overal. In elke organisatie, in elk team en in bijna elk gesprek speelt het een rol. Toch blijft het een van de meest misbegrepen instrumenten van leiderschap. We praten er veel over, maar begrijpen we het ook echt? Een recente wetenschappelijke review werpt een nieuw licht op feedback en doorprikt een aantal hardnekkige mythes.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Wie het woord ‘feedback’ laat vallen in een organisatie, krijgt zelden een neutrale reactie. Voor sommigen is het een krachtig middel om te groeien, voor anderen een bron van spanning of zelfs frustratie. Het is een onderwerp dat leeft, dat emoties oproept en dat tegelijk vaak simplistisch wordt benaderd.

In de Lean Leadership-podcast bespreken Caroline en Maarten een recent academisch artikel dat precies die complexiteit blootlegt. De studie – een review van maar liefst 173 onderzoeken – probeert een antwoord te formuleren op een vraag die velen bezighoudt: wanneer werkt feedback eigenlijk wel, en wanneer niet? Het verrassende antwoord is dat we daar minder zeker van zijn dan we denken.

Drie hardnekkige mythes over feedback

De eerste belangrijke stap in het artikel is het ontkrachten van enkele overtuigingen die diep verankerd zitten in organisaties.

De eerste mythe is misschien wel de meest herkenbare: hoe meer feedback, hoe beter. We gaan er vaak vanuit dat frequente feedback automatisch leidt tot snellere groei en betere prestaties. In werkelijkheid blijkt dat niet zo eenvoudig. Te veel feedback kan overweldigend worden en verliest op termijn zijn effect. Wat bedoeld is als ondersteuning, kan dan eerder ruis worden.

Een tweede misvatting is dat negatieve feedback per definitie slecht zou zijn. In veel organisaties is een sterke voorkeur ontstaan voor positieve bevestiging. Complimenten geven voelt veilig, terwijl kritische feedback vaak wordt vermeden. Toch is dat een eenzijdige benadering. Negatieve feedback heeft wel degelijk waarde, op voorwaarde dat ze op de juiste manier en in de juiste context wordt gegeven.

De derde mythe raakt misschien wel de kern van het probleem: feedback zou objectief zijn. We zeggen vaak dat we “gewoon benoemen wat we zien”, maar vergeten dat elke observatie gekleurd is door interpretatie, context en emotie. Feedback is per definitie subjectief. Dat erkennen is geen zwakte, maar net een noodzakelijke stap om er bewuster mee om te gaan.

De lading van feedback – meer dan positief of negatief

Een van de inzichten uit de studie is dat feedback niet zomaar in hokjes te plaatsen is. Het gaat niet alleen over positief of negatief, maar over de ‘lading’ die feedback draagt.

Positieve feedback bevestigt gewenst gedrag en versterkt motivatie en zelfvertrouwen. Mits ze oprecht en specifiek is, kan ze een krachtige motor zijn voor engagement.

Negatieve feedback daarentegen wijst op een kloof tussen verwachting en realiteit. Ze benoemt wat niet goed loopt, en kan confronterend zijn. Dat maakt ze niet verkeerd, maar wel delicaat. Zonder de juiste aanpak kan ze demotiverend werken.

Daar tussenin bevindt zich constructieve feedback. Die combineert kritiek met richting. Ze stopt niet bij het benoemen van wat fout ging, maar kijkt vooruit: wat kan anders, wat kan beter, en hoe pakken we dat samen aan?

De essentie is dat elke vorm van feedback een andere impact heeft. Leiders doen er goed aan zich bewust af te vragen welke lading hun boodschap draagt, en waarom.

Relatie als fundament voor impact

Misschien wel het meest doorslaggevende element in het hele verhaal is de relatie tussen de gever en de ontvanger van feedback.

Positieve feedback wordt doorgaans makkelijk aanvaard, maar zodra er sprake is van kritische of negatieve feedback, verandert het speelveld volledig. Dan wordt vertrouwen cruciaal. Zonder een stevige relatie kan dezelfde boodschap die bedoeld is om te helpen, ervaren worden als aanval.

Het voorbeeld dat in de podcast wordt aangehaald, maakt dat mooi duidelijk. Feedback binnen een sterke, vertrouwde relatie – zoals een partnerrelatie – kan hard aankomen, maar wordt uiteindelijk wel verwerkt en gewaardeerd. Diezelfde woorden, uitgesproken door iemand zonder opgebouwde vertrouwensband, zouden waarschijnlijk weerstand oproepen.

Voor leiders betekent dit dat feedback nooit losstaat van relatie. Wie impactvolle feedback wil geven, moet eerst investeren in vertrouwen, openheid en respect. Feedback is geen losstaande vaardigheid, maar een verlengstuk van de relatie die je met mensen hebt opgebouwd.

De mens achter de medewerker

Een ander belangrijk inzicht uit de studie is dat feedback niet universeel werkt. Wat voor de ene persoon effectief is, kan voor de andere compleet verkeerd uitpakken.

Persoonlijkheid speelt hierin een grote rol. Sommige mensen gaan beter om met directe, confronterende feedback, terwijl anderen daar sterk op reageren en net meer nood hebben aan een voorzichtige, ondersteunende aanpak. Factoren zoals extraversie, emotionele stabiliteit of stressgevoeligheid beïnvloeden hoe feedback wordt ontvangen en verwerkt.

Daarnaast speelt ook de mindset van de ontvanger een rol. Mensen die gericht zijn op groei en ontwikkeling staan doorgaans meer open voor feedback, zelfs als die kritisch is. Anderen, die sterk gericht zijn op ‘het juist doen’, kunnen feedback sneller ervaren als een bedreiging of als falen.

Dit maakt feedback geven complexer, maar ook menselijker. Het vraagt van leiders dat ze hun mensen echt leren kennen, dat ze observeren, luisteren en afstemmen. Niet om het perfect te doen, maar om beter aan te sluiten bij wat iemand nodig heeft.

Rechtvaardigheid en timing – de onderschatte factoren

Naast relatie en persoonlijkheid zijn er nog twee elementen die vaak onderschat worden, maar een grote impact hebben: rechtvaardigheid en timing.

De perceptie van rechtvaardigheid bepaalt in grote mate of feedback wordt aanvaard. Mensen stellen zich – bewust of onbewust – vragen zoals: word ik eerlijk behandeld? Krijg ik de kans om mijn kant van het verhaal te vertellen? Geldt dit voor iedereen, of alleen voor mij?

Wanneer die perceptie ontbreekt, verliest feedback onmiddellijk aan kracht. Ze wordt dan niet gezien als hulp, maar als oordeel.

Timing is dan weer een meer praktische, maar niet minder belangrijke factor. Feedback die te laat komt, verliest zijn relevantie. Wat gisteren gebeurde, moet vandaag besproken worden, niet pas maanden later. Daarnaast is ook specificiteit cruciaal. Vage opmerkingen helpen niemand vooruit; concrete voorbeelden wel.

Tot slot speelt frequentie een rol. Meer is niet altijd beter. Een overdaad aan feedback – zeker als die vooral kritisch is – kan leiden tot verzadiging en weerstand. Een evenwichtige verhouding, waarin positieve bevestiging ruimschoots aanwezig is, blijkt effectiever.

Slot: van techniek naar vakmanschap

Wat deze inzichten vooral duidelijk maken, is dat feedback geen trucje is. Het is geen set van regels die je simpelweg kan toepassen. Het is een vorm van vakmanschap.

Goede feedback vraagt inzicht, timing, relationele gevoeligheid en zelfreflectie. Ze vraagt dat je als leider niet alleen kijkt naar wat je wil zeggen, maar ook naar wie het zal ontvangen, in welke context en met welke impact.

Misschien is dat wel de belangrijkste les: feedback werkt niet omdat we het geven, maar omdat het landt. En of het landt, hangt af van veel meer dan alleen de woorden die we kiezen.

Of zoals tussen de lijnen van het gesprek duidelijk wordt: er is nog werk aan de winkel. Maar precies daarin ligt ook de kans om als leider te groeien.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Root Cause Analyse

Wie problemen wil oplossen, moet de verleiding weerstaan om te snel naar antwoorden te grijpen. Root cause analyse helpt teams om niet te blijven hangen in schuld, haast of oppervlakkige oplossingen, maar om te onderzoeken wat er onder een probleem ligt. En precies daar begint duurzame verbetering.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Introductie

In veel organisaties klinkt het logisch: er is een probleem, dus we moeten ingrijpen. Liefst snel. Een fout in een proces, een afwijking in kwaliteit, een incident op de werkvloer, een klant die ontevreden is. Het reflexmatige antwoord is vaak even voorspelbaar als begrijpelijk: we zoeken uit wie iets fout deed, herstellen de schade en gaan weer verder. Alleen is dat zelden hetzelfde als echt verbeteren.

In de podcastaflevering over root cause analyse wordt dat spanningsveld heel herkenbaar blootgelegd. Niet als een abstracte managementtheorie, maar vanuit ervaring. Vanuit frustratie ook. Want wie ooit in een omgeving werkte waar analyses vooral aanvoelden als een zoektocht naar schuldigen, weet hoe snel een nuttig instrument zijn geloofwaardigheid kan verliezen. Dan wordt een root cause analyse geen middel om te leren, maar een ritueel dat vooral bevestigt wie “in de fout” ging. En precies daar wringt het.

Toch ligt de echte kracht van root cause analyse ergens anders. Niet in het aanwijzen van mensen, maar in het zichtbaar maken van patronen. Niet in het bestraffen van fouten, maar in het begrijpen van systemen. Niet in de snelheid van een oplossing, maar in de kwaliteit van het onderzoek dat eraan voorafgaat. Wie dat onderscheid begrijpt, kijkt anders naar problemen. En vooral: die bouwt aan een organisatie die werkelijk beter kan worden.

Wanneer analyse voelt als beschuldiging

Veel weerstand tegen root cause analyse ontstaat niet door de methode zelf, maar door de manier waarop organisaties ermee omgaan. Dat wordt in het gesprek mooi tastbaar gemaakt aan de hand van een ervaring uit een contactcenter, waar een analyse vooral voelde als een instrument om aan te tonen dat een team tekortgeschoten was. Er werd veel onderzocht, maar zelden op een manier die leidde tot gedragen oplossingen. Dat laat sporen na. Niet alleen in resultaten, maar ook in hoe mensen naar verbetering beginnen te kijken.

Dat is niet uitzonderlijk. In veel organisaties hangt rond analyse nog altijd een sfeer van verantwoording afleggen. Er is iets misgelopen, dus we moeten kunnen uitleggen waarom. Op zich is daar niets verkeerd aan. Het probleem ontstaat wanneer de impliciete vraag niet langer is “wat gebeurde hier precies?”, maar “wie is hiervoor verantwoordelijk?” Op dat moment vernauwt de blik. Mensen beschermen zich. Teams worden voorzichtig. Problemen worden kleiner gemaakt of sneller dichtgezet. En de kans dat je de echte oorzaak vindt, daalt drastisch.

Dat oude denken is vaak diep ingebakken. In klassieke kwaliteits- of veiligheidsomgevingen werd lang gewerkt vanuit het idee van de “menselijke fout”. Als iets misging, dan moest er een verklaring komen voor het gedrag van de operator, medewerker of leidinggevende. Maar zodra je vertrekt vanuit menselijke tekortkoming als primaire bril, mis je vaak wat daarachter schuilgaat: een onduidelijke procedure, een onhandig formulier, een onrealistische werkdruk, een gebrekkige overdracht, een systeem dat fouten bijna uitlokt.

De omslag begint dus met een fundamentele keuze. Zie je fouten als individueel falen, of als signalen dat er in het systeem iets niet klopt? Dat verschil lijkt subtiel, maar het bepaalt de hele cultuur van verbeteren.

Problemen zijn zelden persoonlijk, bijna altijd systemisch

Een van de sterkste inzichten uit het gesprek is dat problemen bijna nooit zuiver menselijk zijn. Dat klinkt misschien wat scherp, maar het helpt om een cruciale denkfout te corrigeren. Mensen maken wel degelijk fouten, natuurlijk. Alleen ontstaan die fouten nooit in een vacuüm. Ze gebeuren in een context, binnen een proces, onder bepaalde omstandigheden, met bepaalde hulpmiddelen en verwachtingen. Wie dus alleen naar het handelen van een individu kijkt, ziet hooguit het laatste stukje van een veel langere keten.

Het voorbeeld uit de farmaceutische omgeving maakt dat heel concreet. In een vroegere aanpak werd bij documentatiefouten gezocht naar wat een operator “weer fout had opgeschreven”. Later, in een meer Lean-geïnspireerde context, verschoof de aandacht naar het document zelf. Hoe was het opgesteld? Waar ontstonden afrondingsfouten? Welke elementen maakten correct invullen onnodig moeilijk? Plots bleek dat de fout niet zozeer in de mens zat, maar in de manier waarop het werk georganiseerd was.

Dat is precies de essentie van root cause analyse. Je probeert de zichtbare verstoring terug te leiden naar onderliggende oorzaken. Niet om de werkelijkheid ingewikkelder te maken dan nodig, maar om te vermijden dat je het verkeerde probleem oplost. Want wie alleen symptomen behandelt, creëert misschien tijdelijk rust, maar geen verbetering. Dat is de managementvariant van een pijnstiller nemen zonder te onderzoeken waar de pijn vandaan komt.

Daarom is systeemdenken zo belangrijk. Een probleem kan voortkomen uit techniek, maar evengoed uit communicatie, opleiding, taakverdeling, prioriteiten, werkafspraken of cultuur. Soms is een technische storing inderdaad de kern. Maar soms is het net makkelijker om aan techniek te sleutelen dan om lastige vragen te stellen over samenwerking, leiderschap of psychologische veiligheid. En precies daarom vraagt goede analyse om breedte. Om de moed om ook minder tastbare factoren mee in beeld te brengen.

De moeilijke kunst van vertragen en verdiepen

Root cause analyse klinkt rationeel, maar in de praktijk vraagt ze iets wat veel organisaties lastig vinden: vertragen. Niet eindeloos vergaderen, niet analyseren om te analyseren, maar bewust ruimte maken om een probleem eerst goed te begrijpen. Dat is moeilijk in omgevingen waar de druk hoog is en de reflex sterk leeft dat snelheid gelijkstaat aan daadkracht.

Toch is dat vertragen geen luxe. Het is een voorwaarde voor kwaliteit. Want hoe sneller teams naar conclusies springen, hoe groter de kans dat ze een vertrouwd antwoord kiezen in plaats van een juist antwoord. Een technisch probleem krijgt dan een technische oplossing. Een incident leidt tot een extra controle. Een klantklacht mondt uit in een nieuwe procedure. Allemaal begrijpelijk, maar niet noodzakelijk doeltreffend.

Goede root cause analyse vraagt daarom openheid en iteratie. Openheid, omdat je meerdere mogelijke oorzaken naast elkaar moet durven leggen zonder te vroeg te beslissen. Iteratie, omdat inzicht zelden in één sessie ontstaat. Mensen moeten kunnen nadenken, verbanden leggen, dingen later opnieuw bekijken. Wat in een eerste gesprek nog onzichtbaar blijft, kan in een tweede ronde plots helder worden. Dat maakt analyse niet zwak of traag, maar juist grondiger.

Daarbij speelt psychologische veiligheid een doorslaggevende rol. Wie wil dat teams eerlijk spreken over oorzaken, moet een omgeving creëren waarin mensen niet eerst hun eigen positie hoeven te verdedigen. Dat betekent dat een probleem besproken kan worden zonder dat degene die erbij betrokken was meteen het gevoel heeft terecht te staan. In zo’n klimaat ontstaat ruimte voor reflectie. Niet alleen over wat er technisch misging, maar ook over welke aannames, gewoontes of organisatorische keuzes daarin meespelen.

Dat is misschien wel een van de minst zichtbare, maar meest bepalende voorwaarden voor sterke probleemanalyse: de sfeer waarin ze gebeurt. Zonder veiligheid krijg je keurige analyses en brave conclusies. Met veiligheid krijg je echte inzichten.

Van visgraat tot vijf keer waarom

De podcast maakt mooi duidelijk dat root cause analyse geen enkele vaste techniek is, maar een verzamelnaam voor verschillende methoden. Twee daarvan springen eruit omdat ze tegelijk toegankelijk en krachtig zijn.

De eerste is het Ishikawa-diagram, ook bekend als het visgraatdiagram. Dat model helpt teams om een probleem visueel uiteen te trekken in mogelijke oorzaken. Het probleem zelf staat in de “kop” van de vis, en van daaruit ga je per categorie zoeken naar factoren die een rol kunnen spelen. Dat kunnen menselijke factoren zijn, machines, methoden, materialen, meetmethoden of omgevingsinvloeden. De kracht van deze aanpak zit in de breedte. Ze dwingt teams om niet te snel één verklaring te kiezen, maar eerst het veld open te leggen.

Dat maakt het visgraatdiagram bijzonder nuttig in situaties waar een probleem meerdere mogelijke oorzaken heeft. Het stimuleert denken, dialoog en gezamenlijke beeldvorming. Tegelijk is het geen methode die vanzelf de waarheid oplevert. Ze vertrekt vaak vanuit ervaring, expertise en intuïtie. Daarom is het belangrijk om na die eerste brede verkenning te toetsen met data. Welke oorzaken zijn waarschijnlijk? Welke kunnen we uitsluiten? Welke drie verdienen verder onderzoek? Pas dan wordt analyse stevig genoeg om richting te geven aan actie.

De tweede bekende methode is de techniek van de vijf keer waarom. Die werkt minder breed, maar juist dieper. Je vertrekt van een probleem en vraagt telkens opnieuw waarom het gebeurt, met als doel stap voor stap dichter bij de grondoorzaak te komen. Het klassieke voorbeeld uit de aflevering is even eenvoudig als verhelderend: een standbeeld in New York wordt voortdurend bevuild door vogels. Waarom? Omdat vogels erop zitten. Waarom zitten die daar? Omdat er insecten zijn. Waarom zijn er insecten? Omdat de verlichting ze aantrekt. Waarom trekt die verlichting ze aan? Omdat het type licht daarvoor gevoelig is. Plots verschuift het probleem van “vuile vogels” naar een ontwerpkeuze in de verlichting.

Dat is de sterkte van de vijf keer waarom. De methode maakt zichtbaar dat de eerste verklaring vaak niet de echte is. Tegelijk schuilt er ook een valkuil in. Wie te snel of te lineair redeneert, kan zichzelf iets wijsmaken. Niet elk probleem volgt één nette causale keten. Daarom werkt deze techniek vaak het best als aanvulling op een bredere analyse, niet als enige instrument. Ze is sterk in verdiepen, minder sterk in verbreden.

Samen laten die twee methoden iets belangrijks zien: goede analyse is zowel divergent als convergent. Eerst moet je de werkelijkheid openen, daarna moet je haar versmallen. Eerst meerdere oorzaken durven zien, daarna zorgvuldig kiezen waar je verder op onderzoekt.

Echte verbetering begint waar symptoombestrijding stopt

Waarom doen organisaties dit dan niet veel vaker? Het antwoord is ongemakkelijk eenvoudig: omdat het tijd kost. Omdat het aandacht vraagt. Omdat het expertise vereist. En omdat het verleidelijker is om snel iets te repareren dan om grondig te begrijpen waarom iets kapotging.

Toch ligt daar precies de grens tussen een organisatie die problemen oplost en een organisatie die leert. Symptoombestrijding geeft snelheid, maar zelden vooruitgang. Root cause analyse vertraagt het begin, maar versnelt de toekomst. Ze voorkomt dat dezelfde fout in een andere vorm blijft terugkeren. Ze helpt teams om niet telkens opnieuw brandjes te blussen, maar structureel brandbare situaties weg te nemen.

Dat betekent ook dat root cause analyse nooit op zichzelf staat. Ze is geen eindpunt, maar een schakel in bredere problem solving. Een sterke analyse moet uiteindelijk leiden tot keuzes, experimenten, verbeteracties en opvolging. Maar zonder die analyse rust zelfs een goedbedoelde oplossing vaak op losse grond.

Voor leiders ligt hier een belangrijke opdracht. Niet om zelf altijd de slimste analyse te maken, maar om de voorwaarden te scheppen waarin analyse mogelijk wordt. Door tijd vrij te maken. Door vragen te stellen in plaats van oordelen te vellen. Door teams uit te nodigen om breder te kijken. Door data en ervaring samen te brengen. En vooral door duidelijk te maken dat een probleem niet automatisch een persoonlijke mislukking is, maar vaak een kans om het werk slimmer te organiseren.

Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar in de praktijk vraagt het discipline. Verbetercultuur ontstaat niet doordat je het woord vaak gebruikt, maar doordat je bij een probleem systematisch kiest voor nieuwsgierigheid boven haast.

Slot

Root cause analyse is op het eerste gezicht een techniek. Een methode. Een hulpmiddel binnen problem solving. Maar onder die praktische laag zit iets veel fundamentelers. Ze drukt een manier van kijken uit. Een overtuiging dat problemen ons iets te vertellen hebben, zolang we bereid zijn goed genoeg te luisteren.

Dat maakt haar tegelijk eenvoudig en veeleisend. Eenvoudig, omdat de basisvraag helder is: wat ligt hier werkelijk onder? Veeleisend, omdat het antwoord zelden meteen zichtbaar is. Het vraagt aandacht, eerlijkheid, samenwerking en soms ook de moed om geliefde verklaringen los te laten.

Precies daarom is root cause analyse zo waardevol in Lean Leadership. Niet alleen omdat ze helpt om afwijkingen te begrijpen, maar omdat ze organisaties uitnodigt om volwassen te worden in hoe ze met problemen omgaan. Minder schuld. Minder haast. Minder oppervlakkige reparatie. Meer onderzoek. Meer systeeminzicht. Meer duurzame verbetering.

En misschien is dat wel de echte winst: dat een probleem niet langer het einde van iets markeert, maar het begin van beter kijken.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Succesvolle organisatie

Ontdek je talenten

We zijn meesters geworden in het benoemen van wat niet goed gaat. Op school, op het werk en zelfs bij onszelf. Maar wat als echte groei net begint bij wat er al wél is? Deze aflevering van de Lean Leadership-podcast nodigt uit tot een fundamentele heroriëntatie: weg van tekort, naar talent.

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Een oud verhaal met een verrassend actuele boodschap

Soms zit wijsheid op onverwachte plaatsen. In deze aflevering grijpen Maarten en Caroline terug naar een eeuwenoude parabel: die van de talenten.

Een meester vertrouwt zijn dienaren elk een aantal talenten toe. Sommigen investeren en vermenigvuldigen wat ze kregen. Eén iemand verstopt zijn talent uit angst — en verliest uiteindelijk zelfs wat hij had.

Het is een krachtig beeld. Niet alleen over verantwoordelijkheid, maar vooral over potentieel. Over wat er gebeurt wanneer we iets doen met wat ons gegeven is — of net niet.

Zoals Caroline het mooi samenvat:
“Het woord ‘talent’ betekende oorspronkelijk geld. Maar wij zijn het gaan gebruiken als iets wat je krijgt: een gave.”

En precies daar begint de essentie van deze aflevering.

De reflex van tekort denken

Hoewel het verhaal duidelijk inzet op benutten wat er is, doen wij in de praktijk vaak het omgekeerde. We kijken naar wat ontbreekt. Dat begint al vroeg. In het onderwijs worden kinderen zelden aangesproken op waar ze in uitblinken. De focus ligt op wat beter moet.

Caroline deelt een herkenbaar voorbeeld:
“Mijn zoontje was vijf jaar, en ik kreeg vooral commentaar op het feit dat hij niet recht kon knippen.”

Het lijkt klein. Maar het patroon is groot. Doorheen school, studies en carrière blijven we dezelfde boodschap herhalen: hier moet je groeien, daar schiet je tekort, dit moet beter. En dat heeft gevolgen. We worden volwassenen die perfect weten waar ze niet goed in zijn — maar geen idee hebben waar hun echte kracht ligt.

Wat is een talent eigenlijk?

Het woord ‘talent’ wordt vaak gebruikt, maar zelden echt begrepen.

Caroline omschrijft het als:
“Een terugkerend patroon van denken, voelen of handelen dat productief kan worden ingezet.”

Het gaat dus niet om één vaardigheid. Niet om “goed zijn in piano spelen” op zich. Maar om een combinatie van onderliggende patronen: coördinatie, gehoor, ritme, gevoeligheid. Talent is geen trucje. Het is een systeem.

En dat systeem herken je aan drie duidelijke signalen:

  • Het geeft energie
  • Het voelt vanzelfsprekend
  • Je leert er opvallend snel in bij

Of zoals Maarten het benoemt: dingen waarin je “in flow” raakt. Het paradoxale is dat net die vanzelfsprekendheid het moeilijk maakt om talent te herkennen. Wat voor jou natuurlijk voelt, lijkt vaak “normaal”. Maar dat is het niet.

Waarom we onze talenten niet zien

Er speelt nog iets anders. Zelfs wanneer we onze talenten beginnen te zien, houden we ons vaak in. Bescheidenheid speelt een rol. Maar ook iets diepers: verantwoordelijkheid.

Caroline benoemt het scherp:
“Als je in je talent gaat staan en zegt ‘hier ben ik goed in’, dan kan je je niet meer verstoppen.”

Talent erkennen betekent ook: er iets mee moeten doen. En dat is spannend. Want het creëert verwachtingen — van anderen, maar vooral van onszelf.

De werkvloer: tussen realiteit en potentieel

In organisaties wordt het nog complexer. Enerzijds groeit het besef dat werken vanuit talent cruciaal is. Anderzijds is er de realiteit van deadlines, processen en verantwoordelijkheden.

Caroline is daar helder in:
“Het idee dat iedereen alleen maar in zijn talenten moet werken, dat is bullshit.”

Werk vraagt soms ook dingen die niet vanzelf gaan. Maar — en dit is de nuance — er is een groot verschil tussen:

  • competent worden in iets
  • en ergens echt in excelleren

Je kan leren structureren. Maar als het je geen energie geeft, zal het altijd moeite kosten. En dat heeft gevolgen voor prestaties, motivatie en duurzaamheid.

Hier komt leiderschap scherp in beeld. Leidinggevenden hebben een cruciale rol in het herkennen en benutten van talent. Dat begint bij één simpele, maar vaak vergeten vraag: zit deze persoon wel op de juiste plek?

Caroline verwoordt het treffend:
“We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plaats gezet.”

In plaats van mensen te “repareren”, zouden we vaker moeten kijken naar de context waarin ze werken. Talent komt pas tot zijn recht als de omgeving klopt.

Complementariteit als kracht

Misschien wel de krachtigste boodschap van deze aflevering zit in samenwerking. Niet in gelijkenis, maar in verschil.

Caroline deelt een belangrijke les uit haar eigen ervaring:
“Samenwerkingen met mensen die op mij leken, zijn telkens mislukt.”

Waarom? Omdat er geen aanvulling was. Geen balans. Sterke teams bestaan niet uit dezelfde talenten, maar uit complementaire talenten. Waar de één energie verliest, wint de ander energie. En precies daar ontstaat kracht.

Van zelfkennis naar nederigheid

Talentontwikkeling begint bij zelfkennis. Maar eindigt bij iets anders: nederigheid. Niet de nederigheid die je klein houdt. Maar de nederigheid die erkent dat je niet overal goed in hoeft te zijn. En dat anderen dingen kunnen die jij niet kan.

Zoals Caroline het mooi samenvat:
“We kunnen niet in alles getalenteerd zijn. En dat mogen we doorgeven aan anderen.”

Slot

De parabel van de talenten is geen verhaal over winst of verlies. Het is een uitnodiging. Om te kijken naar wat er al is. Om dat serieus te nemen. En om er iets mee te doen.

Niet door alles te willen verbeteren. Maar door het juiste op de juiste plek te laten groeien.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.

Wanneer is het tijd om iemand te ontslaan?

Iemand ontslaan is misschien wel een van de moeilijkste beslissingen die een leidinggevende moet nemen. Het raakt aan verantwoordelijkheid, aan menselijkheid en aan de toekomst van een organisatie. Maar wanneer weet je dat het moment gekomen is? En hoe zorg je ervoor dat je die beslissing eerlijk en zorgvuldig neemt?

Beluister hier de aflevering uit de “Lean Leadership Podcast” met Maarten en Caroline.

Het morele gewicht van ontslag

We horen het vaak in organisaties: “Wanneer moet je iemand ontslaan?”

Op papier lijkt dat een zakelijke vraag. In werkelijkheid is het een moreel dilemma.

Achter elk ontslag zit immers een mens. Een inkomen. Een gezin. Een verhaal.

Weinig leidinggevenden nemen zo’n beslissing licht op. Integendeel: de meeste mensen liggen er wakker van. Niet omdat ze twijfelen aan hun rol, maar omdat ze zich afvragen of ze het juiste hebben gedaan.

Heb ik genoeg kansen gegeven?
Heb ik voldoende ondersteund?
Had ik nog iets anders kunnen doen?

Die vragen zijn niet alleen begrijpelijk — ze zijn ook essentieel voor goed leiderschap.

Want iemand ontslaan mag nooit de eerste reflex zijn. Het is het einde van een traject.

De verleiding van snelle oplossingen

In sommige organisaties wordt afscheid nemen van medewerkers bijna routine. Zeker wanneer het gaat om tijdelijke contracten of uitzendkrachten. Maar ook daar blijft de impact dezelfde. Het zijn mensen die hun werk doen om hun leven te kunnen leiden. Om hun gezin te onderhouden. Om zekerheid te hebben.

Wanneer ontslag te snel gebeurt, zonder reflectie, verliest een organisatie iets belangrijks: respect voor mensen én respect voor leiderschap.Toch gebeurt het omgekeerde ook vaak: dat problemen te lang blijven aanslepen. Niet omdat leiders onverschillig zijn — maar omdat moeilijke gesprekken uitgesteld worden.

Het belang van het escalatietraject

Wanneer iemand structureel ondermaats presteert of ongewenst gedrag stelt, ontstaat zelden plots een crisis. Meestal zijn er al signalen. Kleine momenten. Kleine incidenten. Kleine irritaties.

En precies daar begint leiderschap.

Het eerste niveau is eenvoudig: informele feedback.
Je ziet iets dat niet klopt en spreekt iemand daarop aan. Direct. Respectvol. Duidelijk.

Toch is dit vaak de plek waar het al fout loopt. Veel leidinggevenden laten die eerste stap voorbijgaan. Ze hopen dat het probleem zichzelf oplost.

Maar gedrag dat niet wordt aangesproken, wordt stilaan een nieuwe norm. Wat niet gecorrigeerd wordt, wordt cultuur.

Wanneer informele feedback niet volstaat, volgt een volgende stap: formele gesprekken. Daar worden verwachtingen expliciet gemaakt, afspraken vastgelegd en ondersteuning besproken.

Vanaf dat moment ontstaat een duidelijk kader:

  • Dit is wat we verwachten.
  • Dit is wat er vandaag gebeurt.
  • Dit is wat er moet veranderen.

Vaak wordt dit ook gedocumenteerd. Niet om iemand “te pakken”, maar om helderheid te creëren.

Waarom leiders moeilijke gesprekken vermijden

Hoewel het escalatiemodel in theorie duidelijk is, loopt het in de praktijk vaak mis.

De reden is simpel: mensen vermijden conflicten. Leidinggevenden zijn ook gewoon mensen. Ze willen relaties goed houden. Ze hopen dat situaties vanzelf verbeteren. Of ze schuiven moeilijke gesprekken door naar HR of een hogere manager.

Maar daar wringt het.

De directe leidinggevende is degene die het dichtst bij het werk staat. Die ziet wat er gebeurt. Die begrijpt de context. En dus moet hij of zij ook het gesprek voeren.

HR kan ondersteunen. Een directeur kan rugdekking geven. Maar leiderschap kun je niet delegeren.

Wanneer heb je “genoeg gedaan”?

Veel leidinggevenden worstelen met dezelfde vraag: Wanneer mag je zeggen dat je alles hebt geprobeerd? Een eenvoudige maar krachtige manier om dat te beoordelen is door jezelf drie vragen te stellen.

1. Heb ik voldoende duidelijkheid gegeven?

Wist de medewerker exact wat er verwacht werd?

Niet alleen in termen van prestaties, maar ook in gedrag.

Veel organisaties gaan ervan uit dat mensen wel begrijpen wat “goed werk” betekent. Maar vaak zijn verwachtingen impliciet.

Duidelijkheid betekent:

  • concrete verwachtingen
  • duidelijke voorbeelden
  • inzicht in hoe prestaties gemeten worden
  • begrip van de impact op het team

Wanneer mensen niet weten wat er van hen verwacht wordt, kunnen ze er ook niet naar handelen.

2. Heb ik voldoende ondersteuning geboden?

Duidelijkheid alleen is niet genoeg. Als organisatie heb je iemand aangenomen voor een bepaalde rol. Dan moet je die persoon ook helpen om daarin te slagen.

Ondersteuning kan vele vormen aannemen:

  • opleiding
  • coaching
  • feedback
  • tijd en aandacht
  • begeleiding in gedrag of samenwerking

Te vaak denken organisaties dat een opleiding bij de start voldoende is. Daarna moet iemand “zijn plan maar trekken”. Maar zo werkt ontwikkeling niet. Mensen groeien wanneer ze begeleiding krijgen.

3. Heb ik een eerlijke kans gegeven?

De derde vraag gaat over rechtvaardigheid. Is er echt ruimte geweest voor verbetering?

Dat betekent:

  • tijd om bij te sturen
  • duidelijke gesprekken
  • een echte dialoog

Niet een losse opmerking tussen de soep en de patatten. Niet een grapje dat eigenlijk kritiek is.

Maar een helder gesprek. “Dit is wat ik zie. Dit is waarom het een probleem is. En dit is wat er moet veranderen.”

Wanneer je op deze drie vragen eerlijk ja kan antwoorden — duidelijkheid, ondersteuning en een eerlijke kans — dan heb je als leidinggevende je verantwoordelijkheid genomen.

De verantwoordelijkheid naar het team

Soms vergeten we één belangrijk aspect: leiderschap gaat niet alleen over het individu. Het gaat ook over het systeem.

Wanneer iemand structureel onderpresteert en dat blijft duren, heeft dat gevolgen voor de rest van het team. Collega’s zien wat er gebeurt.

En ze trekken conclusies.

  • Waarom zou ik mijn best doen als dat blijkbaar niet nodig is?
  • Waarom grijpt de leiding niet in?
  • Is dit de norm geworden?

Op dat moment raakt het probleem de cultuur van de organisatie. En daar ligt een nog grotere verantwoordelijkheid voor leiders.

Ontslag als signaal voor het systeem

Wanneer iemand uiteindelijk ontslagen wordt, lijkt dat vaak een individuele mislukking.

Maar meestal is het meer dan dat. Het is ook een signaal dat er ergens in het systeem iets fout liep.

Misschien was er bij de aanwerving al een mismatch.
Misschien kreeg iemand te snel een rol waar hij nog niet klaar voor was.
Misschien werd feedback te lang uitgesteld.

Dat maakt ontslag niet minder noodzakelijk. Maar het maakt het wel een moment van reflectie. Wat kunnen we hieruit leren? Zodat dezelfde situatie zich niet opnieuw voordoet.

Moed als onderdeel van leiderschap

Leiderschap vraagt empathie. Maar het vraagt ook moed. Moed om moeilijke gesprekken te voeren, om duidelijk te zijn, om beslissingen te nemen wanneer dat nodig is.

Want uiteindelijk heeft een leidinggevende een dubbele verantwoordelijkheid: naar het individu én naar de organisatie. En soms betekent dat dat je, na alle inspanningen, de knoop moet doorhakken.

Niet lichtvaardig. Niet impulsief. Maar wel doordacht en eerlijk.

Bronnen en referenties

  • de Lean Leadership Podcast, vind je op Spotify, iTunes en YouTube Music;
  • een overzicht van alle podcasts, vind je ook hier op deze site;
  • het YouTube-kanaal van Lean Leadership, vind je hier.